In dit artikel deel ik enkele historische aantekeningen over de eerste contacten van de islam met Sub-Saharaans (lees: zwart) Afrika. Dit is geen alomvattend overzicht van de vroege islamitische geschiedenis in Afrika. Wel beargumenteer ik dat zwarte Afrikanen vanaf het vroegste begin een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel vormen van de islamitische beschaving en dat we ons daarvan bewust moeten zijn.
Als niet-Afrikaanse moslims zullen we nauwelijks hardop uitspreken dat we vaak (onbewust) geneigd zijn te denken dat de islam ‘van ons’ is. Wanneer we het hebben over de Oemmah, zijn de eerste mensen aan wie we denken meestal Arabieren, Turken, Noord-Afrikanen en Aziaten. Merkwaardig genoeg blijkt uit ervaring dat veel moslims moeite lijken te hebben om zwarte Afrikanen met de islam te associëren. Zelfs veel Noord-Afrikanen, die geografisch (en in veel gevallen zelfs etnisch) het dichtst bij hun Sub-Saharaanse broeders en zusters staan, hebben problematische opvattingen over zwarte Afrikaanse moslims als een volwaardig onderdeel van de islamitische beschaving en haar geschiedenis. Mede daardoor hoorde ik bijvoorbeeld iemand in mijn plaatselijke moskee zijn blijdschap uiten over het zien van ‘zoveel Afrikaanse broeders en zusters in onze moskee’, alsof zij gasten of nieuwkomers binnen de islam zouden zijn.
Historiografische problemen
Hoewel onderliggende racistische tendensen zeker niet ontkend moeten worden, ontstaan opvattingen als deze meestal niet uit kwade bedoelingen. Het feit dat Sub-Saharaans Afrika niet altijd als volwaardig onderdeel van de islamitische wereld wordt beschouwd, is vaak het resultaat van een paradigma dat gevormd is door gedeelde historische ontwikkelingen binnen een onderling verbonden geografische regio. In die ontwikkelingen leek het Sub-Saharaanse deel van Afrika geen significante (politieke) rol te spelen die voor historici belangrijk genoeg werd geacht om het op te nemen in de dominante narratieven van de islamitische geschiedenis. Islamitische historici richtten zich namelijk vooral op politieke geschiedenis, en die van Sub-Saharaans Afrika leverde relatief weinig verhalen op van machthebbers met invloed buiten hun eigen regio. Daardoor was er vaak weinig interesse in de geschiedenis van het gebied, dat simpelweg niet relevant genoeg werd geacht.
Een ander probleem betreft de beschikbare bronnen: de aard van het historische materiaal uit deze regio is anders, wat de bestudering ervan bemoeilijkt. Hierdoor is door de eeuwen heen minder vastgelegd, wat opnieuw heeft bijgedragen aan het negeren van Sub-Saharaans Afrika in veel geschiedenisboeken. Dit heeft er bovendien toe geleid dat er onder historici nog altijd best wat onwetendheid over het gebied bestaat. Zo komt het helaas regelmatig voor dat zelfs gerespecteerde historici beweren dat de moskee van ‘Amr ibn al-‘Ās (in het huidige Caïro) de eerste moskee in Afrika was.
Het is dus duidelijk dat we vaak niet echt beseffen dat de islam voor zwarte Afrikaanse moslims helemaal niets nieuws is. Afrika speelde echter vanaf het allereerste begin een belangrijke rol in de geschiedenis van de islam. De eerste islamitische gemeenschap die zich op het continent vestigde, begon de religie zelfs al te verspreiden jaren voordat de islamitische stadsstaat Medina überhaupt bestond.
Afrika opende de deuren toen Arabieren moslims vervolgden
Slechts vijf jaar nadat de Profeet ﷺ de eerste openbaringen had ontvangen, werd de situatie in Mekka zo problematisch dat de moslims begonnen te migreren en overzee bescherming zochten tegen de tirannie van hun polytheïstische familieleden. De Profeet ﷺ droeg een kleine groep van zijn volgelingen, bestaande uit tien of elf mannen en vier vrouwen, op om naar de haven van Shuʿaybah te gaan (een oude haven die nu deel uitmaakt van het huidige Djedda) en van daaruit te vertrekken naar het Ethiopische koninkrijk Aksum, destijds bekend als al-Habasha.[1]
De heerser van al-Habasha, zo vertelde de Profeet ﷺ zijn volgelingen, was een rechtvaardige koning die niemand ooit onrecht zou aandoen.[2] En zo arriveerde in de maand Rajab van dat jaar de eerste groep islamitische migranten – onder wie Roeqayyah (de dochter van de Profeet ﷺ) en haar echtgenoot ‘Uthmaan ibn ‘Affaan – aan het hof van Ashamah, de Najaashi (Negus) van Groot-Ethiopië
Enkele maanden later keerden sommige migranten terug naar Mekka vanwege valse geruchten over de veiligheid in hun stad. Maar niet lang daarna arriveerde een tweede, grotere groep Mekkaanse migranten aan de kust van de Hoorn van Afrika, ditmaal bestaande uit bijna honderd moslimmannen en -vrouwen. Ook zij begaven zich naar het hof van de Najaashi en vroegen om zijn bescherming. Hun leider, de beroemde en charismatische metgezel Ja‘far ibn Abu Tālib, wist Ashamah’s sympathie voor de moslims te winnen. Ashamah verleende hun het asiel dat zij nodig hadden om de eerste overzeese moslimgemeenschap te stichten.
Geen uitlevering van moslims
Uit verschillende bronnen kunnen we opmaken dat de leider van de moslimgemeenschap goede relaties onderhield met de Najaashi en zijn hofhouding. Een gedetailleerde anekdote uit de vroegste Sierah-werken geeft ons inzicht in de aard van deze relatie. Op een zeker moment, niet lang na de tweede migratie, arriveerde ene ‘Amr ibn al-‘Ās in Oost-Afrika. Velen kennen hem als stichter van de eerdergenoemde moskee in Egypte. Maar nu kwam hij nog niet naar het continent als de formidabele islamitische staatsman en ‘Veroveraar van Afrika’, zoals hij later bekend zou staan, maar als een heidense gezant van de Mekkaanse elite.
‘Amr ibn al-‘Ās was afgereisd naar het hof van Ashamah om hem te verzoeken de islamitische vluchtelingen aan hem uit te leveren. Om de sympathie van de Najaashi te winnen, had hij grote hoeveelheden Mekkaans kamelenleer – het populairste handelsproduct richting Abessinië – meegenomen als persoonlijk geschenk. Hoewel sommigen aan het hof sympathie leken te hebben voor het idee om de moslimvluchtelingen uit te leveren, riep de Najaashi eerst de leiders van de moslimgemeenschap bij zich om ook hun kant van het verhaal te horen.

‘Amr, die wist hoe overtuigend de toen circa vijfentwintigjarige Ja‘far kon zijn, vermoedde al dat deze neef van de Profeet ﷺ de rechtvaardige koning voor zich zou kunnen winnen.[3] Om dat te voorkomen besloot hij de volgende dag opnieuw naar Ashamah te gaan en de moslimgemeenschap in Afrika blasfemische uitspraken over het christelijk geloof toe te schrijven. Dit maakte sommige hofleden boos, maar Ashamah besloot Ja‘fars reactie af te wachten.
Ja‘far ibn Abu Tālib legde uit wat moslims geloven met betrekking tot ‘Īsa (Jezus, a.s.) en zijn moeder Maryam (Maria, a.s.), waarbij hij delen uit de Koran reciteerde. De Najaashi, evenals zijn christelijke geestelijken en andere hofleden, raakten diep ontroerd. Hij verklaarde dat hij geloofde dat de bron van de islamitische religie dezelfde was als die van zijn eigen geloof. Hij wees de geschenken van de Mekkaanse gezanten af en zwoer dat de moslims veilig zouden zijn in zijn koninkrijk.[4]
Een vrije islamitische gemeenschap
De moslims profiteerden van deze bijzondere bescherming en hun contact met de Afrikaanse heerser werd zo hecht dat sommige bronnen zelfs vermelden dat Asmā’ bint ‘Umays, de vrouw van Ja‘far, de zoogmoeder werd van een van zijn zonen.[5] Daarmee werd de prins de zoogbroer van Ja‘fars drie zonen, die allemaal in Abessinië waren geboren. Ondertussen lijkt de islamitische gemeenschap in Afrika regelmatig contact te hebben onderhouden met de Profeet ﷺ in Mekka en later in Medina.
Een grote groep Sahaabah met zulke leiderschapskwaliteiten kan onmogelijk zo’n lange periode passief zijn gebleven. Sommigen verbleven bijna vijftien jaar in Abessinië, en de geschiedenis leert ons dat overal waar Sahaabah zich vestigden, zij actief bijdroegen aan de vestiging en verspreiding van de islam. Dat gold ook voor Afrika. Er werden relaties opgebouwd, kinderen geboren, en bronnen geven aan dat er behoorlijk wat lokale bewoners waren die de islam als hun nieuwe levenswijze omarmden. Deze inheemse (zwarte) Afrikaanse moslims groeiden in aantal, en er is overgeleverd dat velen van hen heen en weer reisden naar Arabië om de Profeet ﷺ te ontmoeten en hem zelfs te ondersteunen in zijn opkomst tot politieke macht – als hun schepen tenminste niet vergingen, zoals soms gebeurde.[6]
De band met de Najaashi werd hecter toen er een interne oorlog uitbrak tegen een van zijn rivalen om de troon. Voor de moslims moet dit een hele angstige en onzekere tijd zijn geweest, gezien de tegenpartij ook hen in het vizier lijkt te hebben gehad. De moslimmigranten steunden uiteraard de zittende Najaashi en zouden zelfs bereid zijn geweest om mee te vechten.[7] Toen Ashamah won, is het dan ook niet verrassend dat zijn sympathie voor de moslims toenam en dat zij daarna waarschijnlijk nog meer privileges genoten. Deze goede relaties resulteerden in zijn bekering tussen het zesde en achtste jaar na de Hidjrah, toen de Profeet ﷺ hem een brief stuurde waarin hij hem rechtstreeks tot de islam uitnodigde. Toen dit gebeurde, stuurde Ashamah de Profeet ﷺ verschillende geschenken. Hij betaalde zelfs de bruidsschat van de Profeet ﷺ (een enorme som van 4000 dinar!) toen hij ﷺ trouwde met Umm Habībah, een van de vroegste migranten naar al-Habasha.
Toen de rechtvaardige koning, Najaashi Ashamah, de eerste grote helper van de islamitische gemeenschap, in 9 H. overleed, bevestigde de Profeet ﷺ zijn status als moslim met de uitspraak: ‘Vandaag is een vroom man uit Ethiopië (de Najaashi) overleden; kom, laten we het dodengebed voor hem verrichten.’[8]
Islamitisch erfgoed in Afrika
Zeven jaar na de stichting van de stadsstaat Medina keerden de meeste Sahaabah terug naar Arabië, maar er waren zeker ook moslims die achterbleven. Voor sommige migranten onder de Sahaabah was Afrika de laatste plaats die zij in hun leven zagen. In verschillende delen van het huidige Ethiopië en Eritrea schrijven lokale moslimgemeenschappen bepaalde graven toe aan enkele leden van deze eerste en tweede groep moehaadjiroen (migranten). Het bestaan van die graven en de manier waarop de lokale gemeenschappen ze waarderen, is slechts één van de vele uitingen van hun besef van de eeuwenoude aanwezigheid van de islam in Afrika.
Niet alleen zijn deze Afrikaanse moslims trots op de graven die zich in hun gebieden bevinden, maar zij claimen ook dat zij de oudste moskeeën bezitten – niet alleen van Afrika, maar van de gehele islamitische geschiedenis. Historisch onderzoek bewijst dat hun claim zeker niet ongegrond is. Een van de moskeeën die deze aanspraak maakt (hoewel er mogelijk nog oudere zijn) is de in 2018 door de Turkse overheid gerenoveerde Najaashi-moskee in Negash, in het noorden van het huidige Ethiopië, nabij de grens met Eritrea. Naast de moskee bevinden zich vijftien graven waarvan wordt beweerd dat zij toebehoren aan Sahaabah. Een ander graf behoort, volgens de lokale bevolking, tot Najaashi Ashamah zelf.

Afrikaanse primeurs in de islamitische geschiedenis
Deze gebeurtenissen markeren het begin van een lange geschiedenis van islamitische aanwezigheid in de Hoorn van Afrika. In het huidige Ethiopië en Eritrea hebben de moslims in de premoderne tijd geen echt sterke politieke macht gevestigd. Maar archeologisch onderzoek, tekstuele bronnen en eenvoudige logica laten ons zien dat moslims in de loop van de geschiedenis altijd aanwezig waren in de regio en dat zij in sommige gebieden zelfs demografische dominantie genoten.
Afrika kent dus een aantal belangrijke historische primeurs. Allereerst bestond de eerste moslimgemeenschap die een relatief comfortabel en ongestoord islamitisch leven kon leiden niet in Arabië maar in Afrika. De historische eer om als eersten zo’n islamitische manier van leven te beschermen en te tolereren komt daarmee toe aan zwarte Afrikanen. Zij kunnen bovendien een redelijk sterke aanspraak maken op het hebben van de eerste purpuse built-ruimte die als openbare moskee diende, mogelijk zelfs eerder dan Qubā’, en in ieder geval eerder dan welke andere moskee buiten Madina dan ook.
Er moet nog altijd veel onderzoek worden gedaan, en ik roep moslimhistorici, vooral degenen met Afrikaanse achtergronden, op om serieus onderzoek naar de islamitische geschiedenis voort te zetten vanuit een meer Afrika-centrisch maar wel academisch perspectief. Dit is noodzakelijk om een relevant narratief van onze gedeelde islamitische beschaving te produceren.
En wij, wij moeten beseffen dat de islam vanaf het begin deel uitmaakt van Afrika en dat zwarte Afrikanen vanaf het begin deel uitmaken van de Oemmah. Wij moeten ons beseffen dat – nog voordat de meeste Arabieren moslim werden, voordat de islam de Berbers van Noord-Afrika en de Turken in Centraal-Azië bereikte – zwarte Afrikanen niet alleen de islam omarmden, maar zelfs de eerste moslimkoning in haar indrukwekkende gezamenlijke islamitische geschiedenis voortbrachten.
[1] Ibn Hishaam, uit ʿAbd al-Salām Muḥammad Hārūn (sameng.), Tahdhīb Sīrah Ibn Hishām (Riyad: Dār al-Ifhām, 2018), p. 65–70.
[2] Muhammed Hamidullah, İslâm Peygamberi: Hayatı ve Eseri, vert. Mehmet Yazgan (Istanbul: Beyan Yayınları, 2013), p. 248.
[3] Hārūn, Tahdhīb Sīrah Ibn Hishām, p. 65-70.
[4] Hārūn, Tahdhīb Sīrah Ibn Hishām, p. 68.
[5] Hamidullah, İslâm Peygamberi, p. 254.
[6] Idem., p. 255-56. Meer over te vinden in Al-Baladhûri, Ibn Ishaaq en As-Samhûdî.
[7] Idem., p. 254. Meer over te vinden in Al-Baladhûri.
[8] Sahih al-Bukhari 1320, Boek 23, Hadieth 78.