In 1869 reisde de Ottomaans-Iraakse imam ‘Abd ar-Rahman al-Baghdadi vanuit Brazilië terug naar Istanbul. Onderweg kwam hij langs verschillende steden rond de Middellandse Zee, waar hij telkens maar kort verbleef. Over sommige steden schreef hij korte stukjes in zijn memoires. In dit artikel vat ik samen wat zijn bevindingen waren over de Marokkaanse stad Tanger. Zijn verslag biedt waardevolle inzichten in de toestand van de stad vlak voordat deze semiofficieel onder het gezag van Europese machten kwam.
Ben je trouwens geïnteresseerd in wat die Ottomaanse imam in Brazilië te zoeken had? Lees dan het artikel ‘Koranverkopers in Rio de Janeiro?! ‘Abd ar-Rahman al-Baghdadis avontuur in Brazilië’.
Eerst over Gibraltar
Voordat hij over Tanger schrijft, vertelt hij in zijn reisverslag eerst over zijn korte verblijf in Gibraltar: ‘Deze berg werd vernoemd naar Tāriq ibn Ziyād, omdat hij de eerste moslim was die zich er vestigde. Het graf van Tāriq ibn Ziyād bevindt zich er eveneens en wordt nog steeds bezocht.’[1]
Sheikh ‘Abd ar-Rahman vertelt hoe goed de Britten het schiereiland beschermden tegen de Spanjaarden en hoe zij het met aantrekkelijke belastingvoordelen hadden omgevormd tot een verzamelplaats voor stinkend rijke kooplieden uit allerlei verschillende landen. Ook vertelt hij over zijn ontmoeting met de Marokkaanse consul op het eiland: ‘In Gibraltar bevond zich een consul van de Marokkaanse sultan Mohammed, genaamd al-Ḥājj Sayyid al-Jusūsī. Ik heb hem ontmoet; hij was een aangename en waardevolle man. In zijn residentie bevond zich een gebedsruimte waar de vijf dagelijkse gebeden werden verricht.’
Tanger
Sheikh ‘Abd ar-Rahman al-Baghdadi omschrijft het Tanger van 1869 als een ‘bijzonder goedkope stad’ met veel tuinen en een ‘aangenaam klimaat’. Wel vermeldt hij dat de stad verder geen bijzondere bouwwerken heeft en vrij sober is ingericht, met slechts een ‘kleine burcht aan de zeekust waarin enkele oude kanonnen staan’.
Dat is niet vreemd. Tanger viel toen weliswaar nog steeds onder het officiële gezag van de sultan van Marokko, maar al sinds het begin van die eeuw bemoeiden buitenlandse gezanten en diplomaten zich veel met de belangrijke en strategische havenstad. Daardoor werd het bestuur ervan vaak bemoeilijkt, laat staan het bouwen van grote, sterke verdedigingswerken tegen de machtige buitenlanders.
De toestand van de stad
Hij geeft ook waardevolle informatie over de sociaaleconomische toestand van de bevolking. Al-Baghdadi meldt dat de inwoners van Tanger zeer arm waren en dat het merendeel regelmatig naar Gibraltar afreisde om handel te drijven. Verder vermeldt hij dat er veel versleten en gemakkelijk te vervalsen munten in omloop waren.
De verloederde indruk die hij schetst, lijkt goed overeen te komen met de historische werkelijkheid van die jaren. Over de hygiëne schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Tanger heeft een bijzonder vies badhuis. Het gewone volk bezoekt dit badhuis zonder zich aan de voorschriften van bedekking te houden.’ Tien jaar later, in 1879, stelde sultan Hassan I daarom officieel de Hygiënecommissie van Tanger in, die zich aanvankelijk moest buigen over de sanitaire voorzieningen en de algemene hygiëne van de stad. In de commissie zaten echter ook veel buitenlandse gezanten, en onder hun leiding trok het orgaan steeds meer bevoegdheden naar zich toe, waardoor het op den duur uitgroeide tot een soort internationaal stadsbestuur. Daarmee begon het geleidelijke proces waardoor Tanger in 1923 uiteindelijk een Internationale Zone werd, maar daarover een andere keer meer.
De islambeleving in de stad
Sheikh ‘Abd ar-Rahman had zeker ook positieve herinneringen aan de stad. Zo was hij, ondanks alles, onder de indruk van de religieuze gesteldheid van het volk. Hoewel hij vermeldt dat er een grote Joodse bevolking was, zegt hij dat er, op de buitenlandse diplomaten na, ‘absoluut geen christenen’ waren in Marokko.
Over de islambeleving van de meerderheid is hij buitengewoon positief. In zijn reisverslag schrijft hij: ‘Het grootste deel van de bevolking van Tanger heeft de Koran uit het hoofd geleerd. Men toont een zichtbare belangstelling voor de moskeeën en voor het verwerven van kennis.’
Over de meest gezaghebbende geleerde van de stad was hij lovend; hij vond dat de Ottomaanse qāḍī’s (rechters) weleens mochten leren van diens mentaliteit. Hij schrijft: ‘De imam van de Grote Moskee was tevens qāḍī. Omdat hij een vroom en godvrezend man was, werd hij door het gehele volk geliefd. Waar men hem ook tegenkwam, zelfs op straat, behandelde hij zonder aarzeling en zonder hoogmoed de zaken van rechtzoekenden. Hij gedroeg zich dus niet zoals onze eigen rechters doorgaans doen.’
Terug naar huis
Vanuit Tanger keerde imam ‘Abd ar-Rahman ‘terug naar Gibraltar, en van daar naar Algiers’, waar hij vermeldt dat de Fransen veel werk hadden gestoken in het versterken van de stad. Van daaruit reisde hij naar Malta, om vervolgens via Egypte naar Djeddah te gaan om in Mekka de bedevaart te verrichten. Daarna keerde hij terug naar Damascus, waar hij was opgegroeid, en eindigde hij zijn reis in Istanbul, de hoofdstad van het Ottomaanse Rijk en de stad waar zijn lange reis meer dan drie jaar eerder was begonnen. Maar daarover meer in het artikel ‘Koranverkopers in Rio de Janeiro?! ‘Abd ar-Rahman al-Baghdadis avontuur in Brazilië’.
[1] Bağdatlı Abdurrahman Efendi, ‘Brezilya’da İlk Müslümanlar (Brezilya Seyahatnâmesi)’ Vert. Antepli Mehmed Şerif (İstanbul: Diyanet İşleri Başkanlığı Yayınları, 2017 – 3e druk), p. 57-58.