Dit artikel vormt het begin van een reeks over het bijzondere verhaal van de Ottomaanse imam ‘Abd ar-Rahman al-Baghdadi, die in 1866 geheel onverwachts in Brazilië terechtkwam. Daar ontdekte hij de aanwezigheid van islamitische (nakomelingen van) slaven. Op hun verzoek verbleef hij drie jaar lang in Brazilië om ze te onderwijzen over hun religie. Na zijn terugkeer legde hij zijn da’wah-avontuur vast in een door velen vergeten reisverslag. Dit verhaal verschijnt voor het eerst in het Nederlands in deze exclusieve driedelige reeks van Hadaarah.
Jaren geleden, toen ik nog een beginnende student geschiedenis was, las ik in een eenvoudig geschiedenisboekje iets opmerkelijks. Rond het midden van de negentiende eeuw, zou een boekhandelaar in het Braziliaanse Rio de Janeiro de grote vraag naar Korans nauwelijks nog hebben kunnen bijhouden. Ik bedacht me dat het iets met moslimslaven te maken moest hebben en liet het verder voor wat het was. Het boekje ging immers over iets anders en ik moest verder met mijn onderzoek. Maar het merkwaardige weetje is me altijd bijgebleven.
Jaren later stuitte ik op een negentiende-eeuws reisverslag van ene ‘Abd ar-Rahman al-Baghdadi, een Ottomaans-Irakese moslimgeleerde die imam werd op een schip en geheel onbedoeld terechtkwam in Brazilië. Tot zijn grote verbazing kwam hij daar moslims tegen, die zich op hun beurt weer verbaasden over het bestaan van niet-zwarte moslims. Ook de eerder genoemde Koranverkopers waren hem niet ontgaan.
Sheikh ‘Abd ar-Rahman verbleef drie jaar in Brazilië om de moslims te onderwijzen over hun religie. Eenmaal terug in het Ottomaanse Rijk, schreef hij zijn Musalliyat al-gharīb fī kulli amr ‘ajīb: riḥla ilā al-Barāzīl,[1] waarin hij vertelde wat hij allemaal had meegemaakt. Deze Arabischtalige seyahatname, zoals de Ottomanen het genre van reisverslagen noemden, werd kort daarna vertaald en uitgegeven in het Ottomaans-Turks. In dit artikel reconstrueer ik het bijzondere da’wah-avontuur van ‘Abd ar-Rahman al-Baghdadi op basis van zijn historische ooggetuigenverslag van de islam in Brazilië.
Het verhaal van sheikh ‘Abd ar-Rahman Efendi[2]
‘Abd ar-Rahman al-Baghdadi werd geboren in Bagdad, dat toen onderdeel was van het Ottomaanse Rijk. Over zijn jonge jaren is weinig bekend. Wel weten we dat hij in zijn jeugd met zijn familie naar Damascus verhuisde en daar waarschijnlijk Arabisch, Turks en Perzisch studeerde, de Koran leerde en zich verdiepte in islamitische jurisprudentie en theologie. Om verder onduidelijke redenen vertrok ‘Abd ar-Rahman wegens ‘moeilijkheden’ uit Damascus en kwam hij terecht in Istanbul, de hoofdstad van het rijk.
Hoewel sommige onderzoekers claimen dat hij er zou zijn aangekomen als ‘gevangene’, hebben de bronnen die zij gebruiken mij daar (nog) niet van overtuigd. Wat wel duidelijk is, is dat hij er kennismaakte met niemand minder dan (Ateş) Mehmed Pasha,[3] de grootadmiraal (kaptan-ı derya) van de Ottomaanse vloot. Deze zou onder de indruk zijn geweest van ‘Abd ar-Rahmans kennis en liet hem benoemen tot marine-imam.
Schepen naar Irak
Rond diezelfde periode verzocht de gouverneur van Bagdad, Namık Pasha, het bestuur van sultan ‘Abd al-‘Aziz (r. 1861–1876) om twee oorlogsschepen naar de Perzische Golf te sturen. Deze had hij nodig om de invloed van Engeland op het Arabisch Schiereiland en in de Rode Zee te verzwakken en de aanwezigheid van de Ottomanen in het gebied zichtbaarder te maken.[4] Het bestuur keek daar aanvankelijk tegenop. De afstand was namelijk enorm. Het Suezkanaal zou pas vier jaar later geopend worden en de schepen moesten dus nog helemaal rond Afrika varen om in Arabië te kunnen komen. Ook was het belangrijk dat er voldoende oorlogsschepen in de hoofdstad zouden blijven om deze te beschermen tegen reële Europese dreigingen. Maar na wat aandringen ging Istanbul uiteindelijk toch akkoord.

Op zondag 24 september 1865 verlieten twee korvetten (kleine oorlogsschepen) de Imperiale Scheepswerf (Tersâne-i Âmire) langs de Gouden Hoorn. De scheepsimam aan boord was – je raadt het al – onze ‘Abd ar-Rahman Efendi. Nabij Mallorca kwamen ze terecht in een zware storm. Ze meerden aan in Algerije om de schade te repareren en het steenkolentekort aan te vullen. Na vijf dagen vertrokken ze richting de Straat van Gibraltar. Wegens het aanbreken van het winterseizoen besloot de bemanning te overwinteren in het Spaanse Cádiz.[5]
Zes maanden later voeren de twee schepen de Atlantische Oceaan op. Daar kregen ze te maken met een grote storm. Ze raakten van koers en werden een heel andere richting op gedreven: in de maand juni van het jaar 1866 meerden ze aan in de haven van Rio de Janeiro, de hoofdstad van het toenmalige Keizerrijk Brazilië. Vanaf hier vervolgen we het verhaal door de lens van de imam.
Salaam in de haven van Rio
‘Abd ar-Rahman Efendi schrijft: ‘Op de tweede dag na de aankomst van het schip in Rio de Janeiro gingen alle officieren de stad in om een wandeling te maken, en zo ging ook ik met hen mee. Ik was gekleed als een ʿālim (geleerde). Een zwarte man uit de Soedanese gemeenschap kwam in de haven naar mij toe en begroette mij met veel respect.’
De man begroette Al-Baghdadi met de islamitische vredesgroet ‘as-salaamu ‘alaykum’, maar, zo schrijft hij, ‘omdat hij gekleed was als een Europeaan, dacht ik dat hij mij bespotte, en daarom beantwoordde ik zijn groet niet. Toen ik hem in het Arabisch en Turks aansprak en hij niet antwoordde, was ik er zeker van dat hij de spot met mij dreef, en ik liep van hem weg. Die dag keerde ik na een wandeling door de stad in de namiddag terug naar het schip.’[6]
De volgende dag kwam een groot aantal Brazilianen het schip bekijken. De Ottomaanse aanwezigheid was een bijzondere bezienswaardigheid. Onder de menigte bevonden zich ook enkele zwarte mensen die wederom toenadering zochten tot de imam. Sommigen spraken hem aan met: ‘Ik moslim’ (Eu muçulmano). Maar omdat geen van de Ottomaanse militairen Portugees sprak, begrepen ze niets van wat ze zeiden. ‘Nadat ze een poosje op het schip waren gebleven, vertrokken ze.’
De imam gaat verder: ‘Later kwam er een andere groep zwarten. Zij spraken soortgelijke woorden als de eersten en bleven bij ons tot de middag. Toen wij opstonden om het gebed van de middag te verrichten, stonden zij ook op, verrichtten de wassing en baden met ons mee. Zo begrepen we dat ook zij moslims waren. We toonden hen veel respect. In de namiddag vroegen zij toestemming om te vertrekken, en dat deden zij, zeer tevreden.
De volgende dag kwamen zij terug met nog veel meer mensen. Deze keer hadden ze een tolk bij zich die zowel Arabisch als Portugees sprak. Ze betraden mijn hut met ontbloot hoofd, uit eerbied. Via de tolk legde ik hun uit dat het in de islam niet gepast is om het hoofd te ontbloten als teken van respect. Ik glimlachte naar hen en behandelde hen met respect.’

De moslims van Brazilië
De moslims over wie ‘Abd ar-Rahman Efendi het in 1866 het had, waren nakomelingen van uit Afrika geïmporteerde, tot slaaf gemaakte moslims. Er zaten ook veel bekeerlingen tussen. Een deel van de moslims die hij in de stad tegenkwam was al vrij, maar onder hen bevonden zich ook velen die nog in slavernij verkeerden. De slavernij werd in Brazilië namelijk pas heel laat (in 1888!) officieel afgeschaft.[7] Deze zogeheten Malê waren afkomstig uit West-Afrika, met name uit de gebieden vanaf Senegambia tot en met wat de Nederlanders de Goudkust noemden.
Op verzoek van de Malê ging ‘Abd ar-Rahman, na toestemming van de commandant te hebben gekregen, mee naar een wijk waar de moslims leefden: ‘Zij hadden buiten de stad een groot huis gehuurd en dit tot een gebedsruimte (moskee) gemaakt, waar zij in het geheim hun aanbidding verrichtten.’[8] Bij aankomst viel het de imam meteen op hoe gebrekkig hun islamitische kennis was. Ze zouden niet (of nauwelijks) samen bidden en iedereen lijkt ook wat anders te hebben gedaan tijdens het gebed. Hij merkte vreemde gebruiken op en vroeg zich al snel af of onwetendheid daar de enige oorzaak van kon zijn geweest. Zijn vermoedens bleken terecht, maar daarover zo dadelijk meer.
‘Abd ar-Rahman Efendi gaf zijn vertaler, die zich al langere tijd onder de moslims bevond en zowel Arabisch als Portugees sprak, de opdracht om de moslims te zeggen dat ze hem vanaf dat moment in alles moesten volgen wat hij deed en zei. Hij begon met het onderwijzen van de islam: ‘Allereerst begon ik mijn preek en vermaning door te spreken over de Eenheid en macht van Allah, en over de oneindige wonderen van de verheven Profeet, over wie de hoogste zegeningen rusten. Zo bleef ik dertien dagen bij hen en trachtte ik, naar vermogen, de geboden en verboden van de godsdienst uit te leggen.’[9]
Terug naar het schip
Toch zag hij weinig resultaat. Het leek wel alsof zijn woorden niet goed genoeg werden uitgelegd. Hij besloot terug te gaan naar zijn schip. Daar excuseerde hij zich bij zijn commandant voor zijn lange afwezigheid. Deze had zich ernstige zorgen gemaakt over mogelijke ergernissen van het Braziliaanse gezag. Hij wilde voorkomen dat de Brazilianen zouden denken dat het Ottomaanse Rijk per schip islamitische predikers stuurde om onrust te veroorzaken onder de bevolkingsgroepen – iets wat het rijk een decennium later (onder leiding van de volgende sultan) wel degelijk zou doen in verschillende gekoloniseerde landen. De commandant was bang dat hij door Istanbul op de vingers zou worden getikt.

Tegelijkertijd zat de commandant met een dilemma. Ook hij had inmiddels vernomen dat de moslims in Brazilië hun religie moesten verbergen en in dwaling en onwetendheid verkeerden. Zij hadden, mede vanwege de grote moslimopstand van dertig jaar eerder, een slechte reputatie en werden op allerlei vlakken extra gediscrimineerd. Die avond discussieerden beide heren over de mogelijkheid om langer onder de moslims te verblijven om hen te onderwijzen in hun religie.
De commandant voelde zijn Ottomaanse plicht om het gezag trouw te blijven en niets te doen zonder toestemming, schuren aan zijn religieuze plicht als moslim om een imam achter te laten in een situatie als deze: ‘Als ik je toestemming geef, zal onze staat mij daarvoor verantwoordelijk houden en ter verantwoording roepen. Maar als ik je géén toestemming geef, zou ik tekortschieten in de broederschapsvoorwaarden die de islam van ons verlangt. Omdat er sinds het ontstaan van de islam nog nooit een moslim uit onze kring in dit land is geweest, is het voor ons een persoonlijke islamitische plicht om de religieuze tekortkomingen van deze gemeenschap te verhelpen,’ zei de commandant.
Een verzoek om te blijven
Drie dagen en drie nachten overpeinsden de mannen de zaak, tot er op een dag ‘enkelen van onder de zwarten naar’ het ‘schip kwamen.’ Dit keer hadden ze een andere vertaler bij zich, die naast Portugees ook Engels sprak, waardoor deze direct met de commandant kon communiceren.
De moslims spraken hun vreugde en verbazing uit over hun ontmoeting met de Ottomanen en over wat ze tot dan toe allemaal hadden geleerd: ‘Tot nu toe dachten wij dat alle witte mensen in de wereld christenen waren en dat alleen zwarten moslims waren. Toen wij jullie zagen, begrepen wij dat er ook in andere landen moslims zijn. Daarover waren wij zeer verheugd!’ Ze verzochten de commandant om de imam achter te laten zodat hij hen kon onderwijzen in de islam. De commandant en ‘Abd ar-Rahman Efendi gingen beiden akkoord.

De vloot vertrok weer richting het oosten, op weg naar de eigenlijke bestemming: Basra in Irak, het thuisland van ‘Abd ar-Rahman Efendi, waarnaar hij zo moet hebben verlangd. Uit het reisverslag van een andere scheepsman aan boord, eerste luitenant Suleyman Faik Pasha, weten we dat de vloot eerst nog aanmeerde bij Kaap de Goede Hoop. Daar ontmoetten ze trouwens een andere Ottomaanse imam, die ver van huis verbleef om in het uiterste puntje van Afrika de moslims te onderwijzen over hun religie.[11] Maar daarover meer in een ander artikel.
En zo begon het drie jaar durende da’wah-avontuur van de Iraaks-Ottomaanse imam ‘Abd ar-Rahman al-Baghdadi. Wat hij in die periode meemaakte, levert buitengewoon waardevolle en zeldzame informatie op over de laatste overgebleven moslims van Brazilië en de uitdagingen waarvoor zij stonden. De bron is uniek omdat (voor zover ik weet) niemand anders op deze manier, door de ogen van een traditionele islamgeleerde uit de islamitische wereld, de Braziliaanse moslimgemeenschap van zo dichtbij en zo uitvoerig heeft beschreven.
Het zou zonde zijn om daar te snel doorheen te gaan, alleen om dit toch al lange artikel niet nog langer te maken. Daarom stop ik hier even om de leesbaarheid te bewaren. In het volgende artikel volgt het tweede deel over het verblijf van de Ottomaanse imam onder de moslimbevolking van Brazilië – en ook de eerder genoemde Koranverkopers komen daarin aan bod!
[1] Vrij vertaald: Het vermaak (of de troost) van de vreemdeling in alles wat wonderbaarlijk is: een reis naar Brazilië.
[2] Efendi: een Ottomaanse eretitel die ‘heer’ of ‘geleerde heer’ betekent en die initieel werd gebruikt voor gerespecteerde of vooraanstaande mannen, vaak met kennis of een bestuurlijke functie. In dit artikel zal ik afwisselen tussen sheikh, imam en Efendi, allemaal titels die in historische werken over hem worden gebruikt.
[3] Pasha: een hoge Ottomaanse titel die werd verleend aan gouverneurs, militaire bevelhebbers en hoge staatsfunctionarissen.
[4] Kasım Hızlı, ‘Bahriye Hizmetinde Kırk Yıl: Erkân-ı Harbiye-i Bahriye Reisi Faik Paşa’ in Uluslararası Üsküdar Sempozyumu XI: Bildiriler, cilt III, ed. Coşkun Yılmaz (İstanbul: Üsküdar Belediyesi, 2021), p. 239.
[5] Kasım Hızlı, Erkân-ı Harbiye-i Bahriye Reisi Faik Paşa, p. 239.
[6] Bağdatlı Abdurrahman Efendi, ‘Brezilya’da İlk Müslümanlar (Brezilya Seyahatnâmesi)’ Vert. Antepli Mehmed Şerif (İstanbul: Diyanet İşleri Başkanlığı Yayınları, 2017 – 3e druk), p. 20.
[7] Dat is dus nog later dan in Nederland – en Nederland was al erg laat vergeleken met andere Europese landen.
[8] Bağdatlı Abdurrahman Efendi, Brezilya’da İlk Müslümanlar, p. 22.
[9] Bağdatlı Abdurrahman Efendi, Brezilya’da İlk Müslümanlar, p. 23.
[10] Marcelo Eduardo Leite, ‘Paradoxos de uma Cidade: O Rio de Janeiro por Dois Fotógrafos‘ Embornal 1, no. 2 (2010), p. 9-10.
[11] Suleyman Faik pasha reisde mee als scheepvaartingenieur en schreef over zijn reis in zijn Seyahatnâme-i Bahr-i Muhît.