Nadat hij de Romeinse hoofdstad Constantinopel opende voor de islam, richtte de eenentwintigjarige sultan Mehmed II (al-Fātih) zich op vrijwel álle landen om zijn rijk heen. In zeer korte tijd veroverde hij de laatste restanten van het Byzantijns-Romeinse rijk en pakte hij de expansietochten van zijn vader op de Balkan verder op. Mehmed de Veroveraar voegde meer dan een miljoen vierkante kilometer bij het Ottomaanse rijk, waarmee nog eens miljoenen christenen werden onderworpen aan het gezag van de sharia, de tegenwoordig zo gevreesde islamitische wet. In dit artikel leg ik uit wat dat precies betekende. Dat doe ik aan de hand van een representatief historisch document: de ‘Ahdnâmeh van Milodraž, een edict waarmee de Bosnische orde der Franciscanen van het klooster van Fojnica – de katholieke volgelingen van Mehmeds aartsvijand in Rome – onder ‘het juk’ van de islam werden geplaatst.
In de jaren negentig van de twintigste eeuw, toen Servische troepen onder het toeziend oog van de Verenigde Naties en met steun van de Servisch-Orthodoxe Kerk een nationalistische genocide pleegden tegen Bosnische moslims in Europa, deden de Turkse eenheden die daar waren gestationeerd een bijzondere herontdekking. Op verzoek van een minderbroeder van de katholieke orde der Franciscanen, bezochten Turkse commandanten het klooster van het bergstadje Fojnica. Ze waren uitgenodigd om iets te bekijken dat ze wellicht interessant zouden vinden.[1] Wat de commandanten te zien kregen, wordt tot de dag van vandaag tentoongesteld in het kloostermuseum van Fojnica: een eeuwenoud edict dat aan de kloosterbewoners werd geschonken door niemand minder dan de veroveraar van het gebied, de Ottomaanse sultan Mehmed II, tezamen met een door hem geschonken kledingstuk (kaftan).
Achtergrond: christelijke ruzies op de Balkan
Voordat de Ottomanen de Balkan overnamen, werd het gebied geteisterd door jarenlange oorlogen en bendegeweld tussen drie grote christelijke stromingen. Aan de ene zijde probeerden Oosters-Orthodoxe kerken en geestelijken hun vorm van het christendom dominant te laten blijven in het gebied. Ooit, toen het Romeinse gezag van Constantinopel nog sterk aanwezig was op de Balkan, zwaaiden zij er de scepter. Maar sinds 1453 moest ook de Patriarch van Constantinopel zich onderwerpen aan de Ottomanen. Daardoor werden zij nóg afhankelijker van de steun van Servische heren in het gebied en werd het moeilijker om alle bevolkingsgroepen onder zich te krijgen.
In de eeuwen voor de komst van de Ottomanen had een andere christelijke stroming flink wat terrein gewonnen op de Balkan, namelijk die van de Rooms-katholieke Kerk. De katholieke kerstening[2] van de Balkan ging gepaard met veel geweld. Katholieke Hongaarse heersers vochten tegen Servische heren voor land, rijkdom, eer en natuurlijk voor de verspreiding van hun religie. Daarbij werden ze met enige regelmaat opgehitst door de Paus, die parallel aan deze politiek ook zijn missionarissen vooruitstuurde naar gebieden die nog niet volledig onder zijn controle waren.

Dat deed hij ook in de gebieden waar de derde grote stroming dominant aanwezig was, namelijk die van de Bogomielen in het huidige Bosnië. Waar deze christelijke sekte precies in geloofde, is onderwerp van discussie, maar hun dualistisch geloof en hun radicale verwerping van kerkelijke hiërarchie, sacramenten en materiële rituelen, maakten dat ze door beide kerken als ketters werden gezien en op allerlei manieren werden bestreden en vervolgd – dit tot kruistochten aan toe, bijvoorbeeld in 1235. Soms werden zelfs hele dorpen van Bogomielen veroverd en de inwoners (inclusief vrouwen en kinderen) als slaven verkocht.[3] Dat verklaart grotendeels waarom, toen de Ottomanen er eenmaal heer en meester waren, het niet heel lang duurde voor het overgrote deel van de Bogomielen de islam omarmde. Dat de moslims ze niet onderdrukten wekte namelijk enorm veel sympathie bij de Bosniërs.
Na de verovering van Constantinopel in 1453 was het centrale gezag van de Oosters-orthodoxe Kerk grotendeels uitgespeeld. De katholieken daarentegen boekten successen. Al vanaf 1291 werden met steun van de Hongaren officieel inquisitierechtbanken[4] opgesteld op de Balkan. Om die kerstening te ondersteunen kwamen rond diezelfde jaren ook de Franciscaner monniken voor het eerst naar het gebied.[5] Als beweging dienden ze als de zachte hand van de Kerk; de ‘good cop’ tegenover de ‘bad cop’ (de eerdergenoemde inquisitie). Toch maakten aardig wat Franciscaner monniken ook deel uit van die rechtbanken, maar dat even terzijde.
Sharia op de Balkan
In het klimaat zoals hierboven omschreven was ‘alles beter dan sharia’géén gedachte die speelde onder de christenen van de Balkan. In tegendeel, toen de Ottomanen Constantinopel veroverden, sloot de Oosters-orthodoxe Kerk buitengewoon aantrekkelijke deals met de Ottomanen om te kunnen voortbestaan onder het islamitische gezag. De Bogomielen hadden al helemaal liever moslims dan andere christenen als heersers.
Maar zouden de Ottomanen ook zo coulant zijn naar de katholieken? Zij waren immers aanhangers van de Kerk van Rome, het instituut dat nog niet heel lang geleden grote kruistochten had georganiseerd tegen Mehmeds vader, en dat in de komende jaren nog veel vaker zou gaan doen. Zou die strijdbaarheid van de paus de wraak van de energieke krijger-sultan afroepen over de katholieken van zijn rijk? Veel katholieken dachten van wel. De politieke bangmakerij van kerkpropagandisten had ervoor gezorgd dat een deel van hen op de vlucht was geslagen toen Mehmed II in 1463 met zijn leger Bosnië binnenviel en het gebied in raptempo veroverde.
De geleerden van de orde der Franciscanen wisten beter: het Ottomaanse bestuur, dus ook de sultan, was bijzonder trouw aan de sharia. Dat systeem had in de voorgaande acht eeuwen bewezen moreel gezien superieur te zijn aan alle andere systemen en religies op het vlak van tolerantie tegenover andersgelovigen in oorlogstijd. En dus vertrok de monnik Fra Anđeo Zvizdović uit het bergklooster van Fojnica, in het voorjaar van 1463, naar de vlakte van het nabijgelegen dorpje Milodraž, waar een Ottomaans leger gestationeerd stond. Daar ontmoette hij niemand minder dan sultan Mehmed II.

De details van het gesprek zijn ons helaas niet bekend. Maar het moet een positieve ontmoeting zijn geweest. De monnik kreeg namelijk waar hij voor kwam: de garantstelling dat onder het islamitische gezag ook de katholieken van het land, ja zelfs hun geestelijke leiders die werkten voor de paus, vrij en veilig konden leven als volwaardige christelijke onderdanen van de Ottomaanse sultan. De belofte werd uitgeschreven in een ferman (officieel sultaneel edict), dat de geschiedenis inging als de ‘Ahdnâmeh van Milodraž. Om de overeenkomst mee te benadrukken kreeg de monnik een kaftan cadeau, een lang en sierlijk Ottomaans kledingstuk.
Wat stond er in de ‘Ahdnâmeh van Milodraž
Een ‘ahdnâmeh(Ottomaans: عهدنامه) is een schriftelijke belofte of overeenkomst van de Ottomaanse sultan, vastgelegd in een officiële oorkonde (ferman), met daarin voorwaarden, rechten of verplichtingen tegenover een individu, gemeenschap of staat. Het verdrag is door de jaren heen door meerdere onderzoekers vertaald. In een ander artikel op deze website presenteer ik mijn eigen vertaling van een in Turkse publicaties verschenen transcript.[6] Hier volgt een korte opsomming van wat er in deze ‘ahdnâmeh eigenlijk wordt beloofd.
Allereerst benadrukt de tekst van de ‘ahdnâmeh dat het geen gewone bestuurlijke maatregel is, maar een persoonlijke belofte van de sultan zelf. In het document spreekt hij in eigen naam en presenteert hij zich nadrukkelijk als beschermer van zijn onderdanen. Door deze persoonlijke toon trekt hij de verantwoordelijkheid voor veiligheid en recht direct naar zich toe. Tegelijkertijd plaatst hij dit edict in een religieus kader: de naleving ervan noemt hij niet alleen een kwestie van wereldlijk gezag, maar presenteert hij als het uitvoeren van de Rechten van Allah en van alles wat heilig of van waarde is. Daarmee bindt de sultan ook zichzelf aan de belofte en sluit hij expliciet uit dat hij of andere bestuurders hier tegenin mogen gaan.
Inhoudelijk biedt de ‘ahdnâmeh verregaande bescherming aan de katholieke gemeenschap. Katholieken en hun geestelijken mogen niet worden lastiggevallen, vervolgd of benadeeld vanwege hun geloof, en hun kerken en religieuze praktijken worden expliciet beschermd. De sultan erkent de katholieke geestelijken als gezagsdragers binnen hun eigen gemeenschap, wat hun positie onder hun eigen mensen legitimeert. Tegelijk maakt hij ze deels verantwoordelijk voor hun volgelingen, waar natuurlijk weer andere privileges voor nodig zijn. Die zouden later in verschillende edicten verder worden uitgewerkt.
Daarnaast heeft de ‘ahdnâmeh een actief verzoenend karakter. Katholieken die uit angst zijn gevlucht, worden nadrukkelijk opgeroepen om terug te keren, zich veilig te vestigen in het rijk en hun kerken opnieuw in gebruik te nemen. De sultan benadrukt dat ook zij vallen onder dezelfde bescherming. De bescherming is echter niet onvoorwaardelijk: van de katholieken wordt (zoals van iedereen in het rijk) verwacht dat zij het gezag van de sultan erkennen, loyaal blijven en zich niet inzetten voor buitenlandse of interne krachten die zijn macht ondermijnen. Tot slot wordt degene die de in de ‘ahdnâmeh genoemde punten toch schendt, publiekelijk gewaarschuwd voor de gevolgen.
Lees hier de volledige vertaling én informatie over de authenticiteit van het document.
Samenleven op de Balkan
Leidde dit tot een volledig harmonieuze samenleving? Natuurlijk niet. Bosnië maakte meer dan vier eeuwen deel uit van het Ottomaanse Rijk, en in zo’n uitgestrekt rijk was volledige controle eenvoudigweg onmogelijk; dat lukt moderne landen van vandaag zelfs niet. Spanningen tussen verschillende religieuze gemeenschappen zijn onvermijdelijk wanneer groepen met uiteenlopende overtuigingen samenleven. Daar kwam bij dat de Ottomanen ook te maken kregen met onderlinge conflicten binnen het christendom zelf, die niet altijd eenvoudig te beheersen waren.

Tegen het einde van de achttiende eeuw bereikten bijvoorbeeld klachten de autoriteiten over intimidatie en misstanden door ongehoorzame lokale functionarissen. Voor een goed begrip van de situatie is het belangrijk om in gedachten te houden dat veel moslims in Bosnië voormalige Bogomielen waren, bij wie een generatielange vijandigheid tegenover katholieken bestond. Opvallend is bovendien dat veel klachten juist gericht waren tegen voormannen van de Oosters-orthodoxe Kerk, die actief probeerden de katholieke gemeenschap tegen te werken. Lokale Ottomaanse bestuurders, met name islamitische rechters (qadhi’s), kregen hierdoor regelmatig geschillen voorgelegd tussen de twee christelijke geloofsgemeenschappen.
Een illustratief voorbeeld komt uit een zaak die door het franciscanenklooster van Szeged (in het huidige Hongarije, toen Ottomaans gebied) werd voorgelegd aan de qadhi van Lippa (het huidige Lipova in Roemenië). De rechter oordeelde dat de Franciscanen waren erkend als een afzonderlijke geloofsgemeenschap met eigen rechten. De intimidatie door de orthodoxe metropoliet werd daarmee onrechtmatig verklaard en moest worden gestaakt. Katholieken dienden dan ook vrijgesteld te zijn van kerkbelasting en van diensten aan vertegenwoordigers van de Oosters-orthodoxe Kerk.[7] En het belangrijkste bewijsstuk in deze zaak was, jawel, de ‘Ahdnâme van Milodraž, afkomstig uit het klooster van Fojnica.
Veelzeggend is dat in deze klachten niet werd geprotesteerd tegen het bestaan van de sharia, maar juist (letterlijk!) werd geklaagd dat er ‘in strijd met de sharia’ werd gehandeld.[8] In Ottomaanse archieven is bovendien vastgelegd dat de overheid herhaaldelijk heeft geprobeerd deze problemen te verhelpen door vernieuwingen en bevestigingen van edicten, specifiek bedoeld om de Franciscanen en hun kloosters bescherming en duidelijkheid te bieden.[9] Juist het feit dat de ‘ahdnâmeh eeuwenlang effectief werd ingezet om onrecht te bestrijden, onderstreept haar blijvende betekenis als fundament voor bescherming, rechtszekerheid en samenleven.
Alles bij elkaar laat dit zien dat de ‘ahdnâmeh geen symbolisch document was, maar een levend juridisch en moreel referentiepunt binnen het Ottomaanse bestuur. Klachten die op dit document waren gebaseerd, werden aantoonbaar serieus genomen: ze werden behandeld door lokale – en zelfs centrale – bestuurders en qadhi’s, vastgelegd in officiële archieven en beoordeeld aan de hand van zowel de ‘ahdnâmeh als de gehele sharia. Katholieke gemeenschappen konden zich hierdoor op meerdere manieren juridisch beschermen, niet alleen door een beroep te doen op de persoonlijke belofte van de sultan, maar ook via het islamitische rechtssysteem zelf. Dit document is slechts een glimp van wat het voor christenen betekende om te leven onder de sharia. Een soortgelijk edict dat katholieken aan moslims vervaardigden en dat zoveel eeuwen lang leidend is geweest voor hoe een katholieke staat zich tegen moslims opstelde, ben ik nog niet tegengekomen.
[1] Murat Bardakçı, ‘Kilisedeki müthiş ferman’ Hürriyet, 25 juli 1999.
[2] Kerstenen: iemand christelijk maken, eventueel onder dwang en met geweld.
[3] Balkanlar ve İslâm, red. Abdullah Taha İmamoğlu, İlir Rruga, Mehmet Fatih Soysal, en Abdurrahim Bilik (Istanbul: Ensar Neşriyat, 2020), Deel I, p. 203.
[4] Inquisitierechtbanken waren kerkelijke rechtbanken van de rooms-katholieke Kerk die vanaf de middeleeuwen werden ingesteld om ketterij op te sporen, te onderzoeken en te bestraffen, waarbij marteling als officieel toegestane onderzoeksmethode werd gebruikt om bekentenissen af te dwingen. Maar dat wist je natuurlijk al; dit heb je namelijk in de onderbouw van de middelbare school gehad bij geschiedenis, toen het ging over de Tachtigjarige Oorlog/Nederlandse Opstand.
[5] De Franciscanenorde is een rooms-katholieke kloosterorde, gesticht door Franciscus van Assisi, die naast een leven van armoede, eenvoud en gehoorzaamheid ook sterk gericht is op missionair werk, prediking en pastorale zorg, zowel binnen als buiten Europa.
[6] Het origineel van het document bevindt zich in het klooster van Fojnica; een afschrift ervan is geregistreerd in de Turkse staatsarchieven onder: Düvel-i Ecnebiyye Defteri, 14/2_1.
[7] Sándor Papp, “The System of Autonomous Muslim and Christian Communities, Churches, and States in the Ottoman Empire,” in The European Tributary States of the Ottoman Empire in the Sixteenth and Seventeenth Centuries. The Ottoman Empire and Its Heritage – 53 (Leiden: Brill, 2013), 375–419, p.416.
[8] Uit een klacht aan de overheid in 1775, in Osmanlı Belgelerinde Bosna-Hersek (Istanbul: T.C. Başbakanlık Devlet Arşivleri Genel Müdürlüğü, Osmanlı Arşivi Daire Başkanlığı; Vlada Republike Turske – Generalna Direkcija Državnih Arhiva, 2009), p. 380-382.
[9] Osmanlı Belgelerinde Bosna-Hersek (Istanbul: T.C. Başbakanlık Devlet Arşivleri Genel Müdürlüğü, Osmanlı Arşivi Daire Başkanlığı; Vlada Republike Turske – Generalna Direkcija Državnih Arhiva, 2009), p. 376-382.