In een eerder artikel schreef ik over de ‘Ahdnâmeh van Milodraž, een historisch document dat in 1463 werd opgesteld door de Ottomaanse sultan Mehmed II en werd overhandigd aan de Franciscanen (katholieken) in Bosnië. Als onderdeel van de ceremonie kregen ze een Ottomaanse kaftan cadeau. Om de historische context en betekenis van die gebeurtenis beter te begrijpen, raad ik aan om eerst dat artikel te lezen, getiteld ‘De belofte van sultan Mehmed II (al-Fātih) aan de katholieken in Bosnië.’ In dit artikel presenteer ik een uitgeschreven transcript en een volledige vertaling van dat document. Verder ga ik kort in op de discussie over de authenticiteit ervan, die inmiddels definitief is beslecht.
Het transcript
Het document is geschreven in het Ottomaans-Turks van de zestiende eeuw en bevindt zich in het klooster van Fojnica. Een afschrift ervan is geregistreerd in de Turkse staatsarchieven.[1] Hier volgt een fonetisch uitgeschreven transcript daarvan.
Merhûm ve mağfûrun-leh, Ebü’l-feth Gāzî Sultân Muhammed Hân, rahime’llâhü aleyhi ve’l-gufrân hazretlerinin hatt-ı şerîfidir.
Tuğra: Muhammed bin Murad han muzaffer daima
Nişân-ı şerîf-i âlîşân-ı sultânî, tuğra-yı garrâ-yı gîtî-sitân-ı hâkānî, ben ki, Sultân Muhammed Hân’ım.
Cümle avâmm u havâssa ma‘lûm ola ki, işbu dârendegân-ı fermân-ı hümâyûn Bosna ruhbânlarına mezîd-i inâyetim zuhûra gelüp buyurdum ki, mezbûrlara ve kiliselerine kimesne mâni‘ ve müzâhim olmayup ihtiyâtsız memleketimde duralar ve kaçup gidenlere dahî emn ü emân olalar ki, gelüp bizüm hâssa memleketimizde havfsız sâkin olup kiliselerinde mütemekkin olalar ve yüce hazretimizden ve vezîrlerimden ve kullarımdan ve re‘âyâlarımdan ve cümle memleketim halkından kimesne mezbûrlara dahl ü ta‘arruz edüp incitmeyeler.
Kendülere ve cânlarına ve mâllarına ve kiliselerine ve dahi yabandan hâssa memleketimize âdem getürürler ise yemîn-i mugallaza iderim ki, yeri göğü yaradan Perverdigâr hakkı içün ve yedi Mushaf hakkı içün ve ulu Peygamber hakkı içün ve ve yüz yigirmi dört bin peygamberler hakkı içün ve kuşandığım kılıç içün bu yazılanlara hiçbir ferd muhâlefet eylemeye.
Mâdâm ki bunlar benim emrime mutî‘ ve münkâd olalar. Şöyle bilesiz.
Tahrîren fî 28 şehr-i Mayıs / gurre-i Muharremü’l-Harâm sene 883
Bi-yurd-ı Kal‘a-i Drac[2]
De vertaling volgt onder de afbeelding.

De vertaling
Hier volgt mijn vertaling van het transcript.
De Barmhartigheid en Vergeving zij met hem – Dit is de hatt-ı şerîf[3] van wijlen, Aboe’l-Fath[4] Ghāzî[5] sultan Muhammed Khān[6] — moge de Barmhartigheid en Vergeving van Allah met hem zijn.
Tughra: Muhammed zoon van Murad khān (moge hij) altijd (de) overwinnaar zijn
(Dit is) het verheven, edele sultaneel teken, de schitterende tughra[7] van de wereldveroverende khaqān;[8] En ik ben sultan Mohammed Khān,
Moge het bekend zijn bij iedereen, zowel bij het gewone volk als de vooraanstaanden, dat ik, uit vermeerderde gunst, dit keizerlijk bevel heb uitgevaardigd ten behoeve van de Bosnische geestelijken die de dragers zijn van dit edict.
Ik heb bevolen dat niemand hen of hun kerken zal verhinderen of lastigvallen, en dat zij zonder vrees in mijn rijk zullen verblijven. Ook degenen die gevlucht zijn, zal veiligheid en bescherming worden verleend, opdat zij terugkeren en zonder angst in ons bijzondere rijk wonen en zich in hun kerken vestigen. Dat niemand, noch van onze verheven majesteit,[9] noch van mijn viziers, noch van mijn dienaren, noch van mijn onderdanen, noch van het gehele volk van mijn rijk, zich met hen zal bemoeien, hen zal aanvallen of krenken.
Wat betreft hun personen, hun levens, hun bezittingen, hun kerken, en ook indien zij mensen van buiten naar ons bijzondere rijk brengen: Ik leg een zware eed af – omwille van het recht van Allah, de Schepper en Onderhouder van hemel en aarde, van de zeven exemplaren van de Mushaf, van de verheven Profeet, van de honderdvierenentwintigduizend profeten, en van het zwaard dat ik draag – dat geen enkel individu in strijd zal handelen met hetgeen hier is vastgelegd.
Dit onder de voorwaarde dat zij mijn bevelen gehoorzaam en onderdanig blijven.
Aldus zij het bekend.Opgesteld op de 28e dag van de maand mei, overeenkomend met de eerste dag van Muharram al-Haram van het jaar 883 [H.].
In het land van de vesting Dradj (Durrës)
Hoe authentiek is het verdrag?
De eerste die een transcript van het document opstelde en deze vertaalde naar een moderne westerse taal, was (naar mijn weten) de Bosnische historicus en Ottomanist Hazim Šabanović. Hij publiceerde in 1949 een Bosnische/Servo-Kroatische vertaling in het blad ‘Istorisko-pravni zbornik’, maar uitte ook zijn twijfels over in hoeverre het exemplaar in het klooster van Fojnica écht een authentiek document is, of dat het misschien om een latere kopie zou kunnen gaan. Maar net als de meeste Ottomaanse Rijk-kenners, lijkt hij niet te hebben getwijfeld aan de inhoud. Edicten als deze waren simpelweg niet uniek voor het Ottomaanse Rijk. In tegendeel: dit is hoe we de Ottomanen kennen. Er zijn enorm veel van dit soort edicten en overeenkomsten. Sterker nog, zelfs van dit ‘origineel bestaan er in vrijwel elk klooster in Bosnië één of meerdere kopieën van de ‘ahdnâmeh, waaronder ook in Fojnica zelf.’[10]
Dat de Ottomanen dergelijke beloftes hadden gedaan, werd dus al vrij snel algemeen aanvaard. Over de echtheid van het document dat in het klooster van Fojnica wordt bewaard, zijn echter met enige regelmaat kritische kanttekeningen geplaatst. Die kritiek richtte zich soms op het gebruikte handschrift (paleografie), soms op de taal van het document (filologie). Uit voorzichtigheid leidde dit lange tijd tot de aanname dat het hier mogelijk om een latere kopie ging, en dat het oorspronkelijke document rampen zoals aardbevingen of branden niet had overleefd. Geen van deze bezwaren kon echter ooit overtuigend of sluitend worden onderbouwd.

Laboratoriumonderzoek: C14-datering
In 2013 kwam de doorslag. In dat jaar werden stukjes van de twee belangrijkste voorwerpen in deze discussie, het document en de kaftan die door de sultan zouden zijn overhandigd, meegenomen naar het Ruđer Bošković-Instituut voor laboratoriumonderzoek. De uitkomsten van deze radiokoolstofdatering wonden er geen doekjes om.
Zoals op de eerste foto te zien is, bestaat het document uit twee onderdelen: bovenaan het document staat met rode inkt de volgende zin: ‘Merhûm ve mağfûrun-leh Ebü’l-feth Gāzî Sultân Mehmed Hân rahime’llâhü aleyhi ve’l-gufrân hazretlerinin hatt-ı şerîfidir (Dit is het hatt-ı şerîf van wijlen, de door God met barmhartigheid en vergeving begunstigde Aboe’l-Fath Gāzî sultan Mehmed Khān – moge Gods barmhartigheid en vergeving over hem zijn). Het deel daaronder is geschreven met zwarte inkt en bevat verder de volledige inhoud van het edict. Eerder hadden papierdeskundigen van het Kroatisch Staatsarchief ontdekt dat deze teksten op twee verschillende soorten papier waren geschreven die aan elkaar waren gelijmd. Daarom is van beide delen een apart monster meegenomen voor laboratoriumonderzoek.
Uit koolstofdatering blijkt dat het onderste deel van de ‘ahdnâmeh met 95,4% betrouwbaarheid dateert uit de periode 1430–1465. Dit sluit nauwkeurig aan bij het historisch bekende jaartal 1463, het jaar waarin de ‘ahdnâmeh volgens de overlevering werd uitgevaardigd. Dit betekent dat er met zekerheid gezegd kan worden dat dit deel inderdaad het authentieke document is dat door Mehmed II is overhandigd aan Anđeo Zvizdović.[11]
Bij het bovenste deel laten de resultaten een ander beeld zien. De grootste kans, namelijk 73,8%, wijst op een datering tussen 1665 en 1808. Deze uitkomsten maken het mogelijk dat het bovenste deel aanzienlijk jonger is dan het onderste deel. Dat deel is waarschijnlijk in latere eeuwen vervangen of vernieuwd, wellicht vanwege beschadigingen, maar misschien ook slechts ter verering, gezien het enkel om een toevoeging van één zin gaat waarin de sultan (in de verleden tijd geformuleerd) wordt geëerd en er gesproken lijkt te worden op een manier die gebruikelijk is voor iemand die is overleden.
Dan nog de kaftan. Daar lijkt meer aan de hand te zijn. Uit het onderzoek blijkt dat het textiel met 95,4% zekerheid dateert uit de periode 1492–1641. Het is daarmee jonger dan de ontmoeting tussen sultan Mehmed II en pater Anđeo Zvizdović. Ook overlappen de data van de buitenste laag van de mantel met die van het onderste, originele deel van de ‘ahdnâmeh, wat erop kan wijzen dat de mantel toch uit de tijd van de verovering van Bosnië stamt. Tot zover geen probleem dus. De voering van de mantel is echter duidelijk jonger en dateert met 74,7% waarschijnlijkheid uit 1652–1805. Opvallend is dat deze periode overeenkomt met de datering van het later aangehechte deel van de ‘ahdnâmeh, wat suggereert dat beide in dezelfde latere periode zijn gerestaureerd.[12] Omdat het kledingstuk niet langer de vorm heeft van een Ottomaanse kaftan, maar die van een mantel in meer christelijke stijl, is het aannemelijk dat het in latere eeuwen is aangepast doordat deze gebruikt werd, terwijl de kern van het oorspronkelijke kledingstuk behouden bleef.
Kortom, over de echtheid van de Ahdnâmeh bestaat vandaag geen twijfel meer. Onder onderzoekers is er brede overeenstemming dat het document authentiek is, ook al is het bovenste deel ervan, waarop eigenlijk niets inhoudelijks staat, later toegevoegd of hersteld. Zowel de ‘Ahdnâmeh als de bijbehorende, gerestaureerde kaftan zijn nog altijd te zien in het museum van het Franciscaner klooster van Fojnica, in het huidige Bosnië en Herzegovina.
[1] Düvel-i Ecnebiyye Defteri, 14/2_1. De registervermelding van deze hatt-ı şerif bevindt zich eveneens in: BOA (Başbakanlık Osmanlı Arşivi, Istanbul), A.DVN.DVE.d, 14/1.
[2] Hier is gebruik gemaakt van het transcript in twee werken: Fatih Sultan Mehmed Dönemi: Ferman ve Arşiv Belgeleri, red. Mehmet Çelik, Adnan Köşker et al. (Istanbul: Mavi Ofset Basım Yayın, 2018) p. 173. En Gökkubbe altında birlikte yaşamak: belgelerin diliyle Osmanlı hoşgörüsü, red. Yusuf Sarınay et al. (Ankara: T.C. Başbakanlık Devlet Arşivleri Genel Müdürlüğü, 2006) p. 19.
[3] Definitie va hatt-ı şerîf:(Ottomaans-Turks: خطّ شریف): een door de sultan persoonlijk bekrachtigd edict met de hoogste juridische geldigheid in het Ottomaanse rijk.
[4] Definitie Aboe’l-Fath: bijnaam/titel met als betekenis ‘Vader van de Verovering’.
[5] Definitiei ghāzî: titel die gegeven werd aan een strijder (op de weg van Allah) – synoniem aan ‘mujaahid’.
[6] Definitie khān: heerser.
[7] Definitie tughra: (Ottomaans-Turks: طغرا): teken/embleem/symbool
[8] Definitie khaqān: Khān van de Khāns – zie definitie khāns.
[9] Dus de sultan zelf.
[10] Vjeran Kursar, “Monks in Kaftans: Bosnian Franciscans, Robes of Honour, and Ottoman Sumptuary Laws,” in Life on the Ottoman Border: Essays in Honour of Nenad Moačanin, ed. Vjeran Kursar (Zagreb: University of Zagreb, Faculty of Humanities and Social Sciences, FF Press, 2022), 143-166, p. 143.
[11] Nada Horvatinčić, Andreja Sironić, Jadranka Barešić, en Igor Kozjak, “Radiocarbon Dating of Ahdname, Mantel, and Armorial from the Fojnica Franciscan Monastery, Bosnia and Herzegovina,” Radiocarbon 59, nr. 5 (2017): 1359–1368, gepubliceerd door Cambridge University Press, p. 1363-1366.
[12] Vjeran Kursar, “Monks in Kaftâns: Bosnian Franciscans, Robes of Honour, and Ottoman Sumptuary Laws,” in Life on the Ottoman Border: Essays in Honour of Nenad Moačanin (Zagreb: University of Zagreb, Faculty of Humanities and Social Sciences, 2022), p. 1366.