Koerden behoren niet alleen tot de oudste volkeren ter wereld, maar ook tot de eerste mensen die zich in grote getalen bekeerden tot de islam. Hun stamhoofden, die grotendeels onderworpen waren aan de Sassanidische heersers van Perzië en daarom meevochten in hun legers, werden al rond het jaar 640 n.Chr. (slechts acht jaar na het overlijden van de Profeet ﷺ) geleidelijk aan moslim. Wat niet veel mensen weten, is dat sommige Koerden al vanaf het allereerste uur betrokken waren bij de opkomst van de islam. Eén daarvan kennen we bij naam. In dit artikel volgt alles wat we weten over de sahabi (metgezel) van de Profeet ﷺ Djaabaan al-Soeradi al-Kurdi.
Hoewel meerdere onderzoekers pagina’s lange artikelen (en zelfs een boek!) hebben geschreven over dit onderwerp, is het informatiegehalte van die werken altijd even mager. Om te voorkomen dat de lezers van dit artikel dezelfde teleurstelling zullen ervaren als bij het lezen van die lange onderzoeken, zal ik eerlijk zijn en gelijk met de deur in huis vallen door te vertellen dat we eigenlijk vrijwel níets over deze sahabi weten. De lezer hoeft in dit artikel dan ook geen spannende biografie te verwachten. Toch weten we wel iets over zijn bestaan. Wat dat dan is, zal ik in dit artikel zo volledig mogelijk beschrijven. Maar eerst even wat historische context om de tijd van de Profeet ﷺ en zijn metgezellen beter te begrijpen.
Een diverse Oemmah
Tegen het einde van zijn leven had de Profeet ﷺ tienduizenden Sahaabah (metgezellen) die hem hadden ontmoet, de islam hadden geaccepteerd en uiteindelijk ook zijn overleden als moslims. Onderling verschilden de Sahaabah in rangen op basis van hun vroomheid (taqwaa), hun daden voor de islam en op basis van hoe kort na de openbaring ze de islam hadden geaccepteerd. Waar bij hun waardering minder onderscheid werd gemaakt, waren sociaaleconomische klasse en (etnische) afkomst.
Om dat te onderbouwen wordt vaak gerefereerd naar de bekende zin uit de afscheidstoespraak van de Profeet ﷺ: ‘O mensen, waarlijk, jullie Heer is Eén en jullie vader is één. Weet: er is geen waarde voor een Arabier boven een niet-Arabier, noch voor een niet-Arabier boven een Arabier; noch voor een witte[1] boven een zwarte, noch voor een zwarte boven een witte, behalve door taqwaa.’[2]
Ook de vroege Koranopenbaringen waren hier al heel duidelijk over. Zo veroordeelt Allah ﷻ in de Koran duidelijk het neerhalen van godvrezende moslims op basis van hun afkomst, stand of klasse. Toen de Profeet ﷺ van de elite van zijn stam te horen kreeg dat ze bereid waren om naar hem te luisteren op de voorwaarde dat de ‘lagere’ mensen (slaven, bedienden, armen en niet-Arabische vreemdelingen) de zitting zouden verlaten, veroordeelde Allah ﷻ dit aanbod direct met een felle waarschuwing aan Zijn Profeet ﷺ: ‘En stuur degenen niet weg die in de ochtend en de avond hun Heer aanroepen en Zijn Aangezicht wensen. (…) Als jij hen wegstuurt, dan behoor jij tot de onrechtvaardigen.’[3] En dus konden niet-Arabieren al vanaf het eerste uur volwaardig moslim worden en is de moslimgemeenschap altijd erg divers geweest.
Afrikanen, ja. Maar Koerden?
We kunnen met enige zekerheid zeggen dat Afrikanen de grootste groep niet-Arabische moslims vormden tijdens het leven van de Profeet ﷺ. Daar is ruimvoldoende bewijs voor. Vanwege de geografische ligging van Mekka en Medina was er een aanzienlijke aanwezigheid van Afrikanen in de Hidjaz (West-Arabië), onder meer als handelaren, pelgrims, diplomaten, slaven, bedienden, ambachtslieden en veroveraars. De oudste en meest authentieke historische bronnen van de islam staan dan ook vol met (biografische) informatie over hun aanwezigheid.
Voor Sassanidische onderdanen uit Perzië geldt dat minder. Ook dat heeft geografische en politieke oorzaken. Het (politieke) hartland van het Perzische rijk bevond zich namelijk in het tegenwoordige Irak. Zo lag de hoofdstad Ctesiphon (Al-Madaa’in) langs de Tigris, zo’n anderhalf uur zuidwaarts rijden van het tegenwoordige Bagdad. De Sassanieden oefenden dan ook actief hun macht uit aan de Oost-Arabische randen van hun rijk, waaronder in de Perzische Golf, en uiteindelijk zelfs in Yemen, waar Abraha’s impopulariteit de weg vrij maakte voor de toenemende invloed en macht van de Perzen.
Maar in West-Arabië (de Hidjaz), waar de islam ontstond, waren ze zo goed als niet aanwezig. Daar hadden hun rivalen, de Romeinen, meer invloed. De enige Perzische sahabi die we kennen, is de beroemde Salmaan al-Farisi, die daar op ongebruikelijke wijze terechtkwam, namelijk vanwege zijn door (Romeinse) christenen gestuurde zoektocht naar de ware en authentieke Boodschap van de Schepper. Verder hebben we nauwelijks aanwijzingen dat zich in het gebied Perzische (of verwante) mensen bevonden, op hier en daar een uitzondering na, waarover zo meer.
Toch waren ze er wel, en dat lijkt ook te hebben gegolden voor de Koerden, die bekend waren bij de Arabieren van die tijd.
Koerdische aanwezigheid op het Arabische Schiereiland
Wat Koerden in die tijd te zoeken hadden op het Arabisch Schiereiland, is niet direct op te maken uit geschreven historische bronnen. Toch zijn hier en daar sporen uit het verleden die iets zouden kunnen prijsgeven over redenen van hun aanwezigheid. Een daarvan heeft betrekking op de handel.
Uit verschillende bronnen, waaronder overleveringen van de Profeet ﷺ, kunnen we opmaken dat bepaalde producten uit Koerdische gebieden bekend waren onder de Arabieren. Zo vertelde ‘Aaisha (r.a.) dat haar echtgenoot (de Profeet ﷺ) ooit het gebed verrichtte in een khamiesah, een mantel met versieringen erin. Omdat hij tijdens het gebed naar de versieringen had gekeken, zei hij toen hij klaar was: ‘Breng deze khamiesah terug naar Aboe Jahm en breng mij zijn eenvoudige mantel, want deze (hier) heeft mij zojuist afgeleid in mijn gebed.’ Dit is de versie zoals vermeld in Sahieh al-Boechaarie. In een versie in Soenan Abie Dawoed, wordt de eenvoudigere, minder luxueuze mantel waar de Profeet ﷺ om had verzocht, gespecificeerd met de naam Al-Kurdiy (الْكُرْدِيِّ).[4] Volgens meerdere onderzoekers is dit een aanwijzing dat Koerdische kledingstukken bekend waren onder de Arabieren en werden verhandeld op het schiereiland.
Een ander soort product dat volgens sommige onderzoekers populair zou zijn geweest in het Arabië van die tijd, waren Koerdische wapens. We weten dat de Arabieren uit de Profeet ﷺ vrijwel niet aan wapenproductie deden en hun beste wapens importeerden uit andere gebieden, waaronder India, Syrië (toen onderdeel van het Romeinse rijk) en Irak (toen onderdeel van het Perzische rijk). Een populair soort wapen dat weleens werd genoemd in Arabische gedichten tijdens (en zelfs voor) het leven van de Profeet ﷺ, was al-maad, al-maadh of al-maadhi, een woord waarmee wordt verwezen naar de Meden (dus een Medisch wapen).[5]
In de tijd van de Profeet ﷺ bestonden de Meden niet meer. De Koerden, die destijds de overgrote meerderheid vormden in het gebied dat ooit het hartland van het Medische Rijk was, worden traditioneel vaak beschouwd als nakomelingen van de Meden. Daarom gaan onderzoekers ervan uit dat de gewilde wapens waarover wordt gesproken afkomstig waren uit Koerdische gebieden en door Koerden werden geproduceerd. En hoewel er tegenwoordig meer bewijs tegen dan voor de stelling is dat de Koerden afstammen van de Meden, valt best wat te zeggen voor de aanname dat deze wapens nog steeds in Koerdisch gebied werden geproduceerd.
Niet echt een handelsvolk
Toch stonden Koerden er in die tijd niet om bekend dat ze op grote schaal naar verre gebieden reisden om handel te drijven. Vooral op het Arabisch Schiereiland waren het vooral de Arabieren zelf die dat deden. Maar er was nog een andere manier waarop mensen uit Mesopotamië (het gebied tussen de revieren Eufraat en Tigris – dus ook de Koerdische gebieden) naar Arabië waren gekomen, namelijk als krijgsgevangenen of slaven.
Zo kennen we allemaal het verhaal waarin de Profeet ﷺ hardhandig werd weggejaagd uit Taïf, waarna hij bebloed en uitgeput beschutting zocht onder een boom. Daar kwam een bediende van iemand van de Quraish naar hem toe om hem wat fruit aan te bieden. Deze bediende genaamd ‘Addas, raakte met de Profeet ﷺ aan de praat, die hem vroeg waar hij vandaan kwam. ‘Addas antwoordde dat hij een christen uit Neneveh was, waarop de Profeet ﷺ vroeg: ‘Uit de stad van de rechtschapen man, Yoenoes ibn Matta (Jona, de zoon van Amittai)?’
‘Addas zei: ‘Hoe weet jij wie Yoenoes ibn Matta is?’
De Profeet ﷺ zei: ‘Dat is mijn broeder. Hij was een Profeet en ik ben een Profeet.’[6]
Daarop bekeerde ‘Addas zich tot de islam.
De klassieke stad Nineveh lag in het tegenwoordige Mosoel in Irak, aan de grens van het gebied waar de Koerden al eeuwenlang dominant zijn. En hoewel er ook in die tijd veel Koerden moeten zijn geweest in Nineveh, is er geen reden om te denken dat ‘Addas Koerdisch was. Toch zegt zijn verhaal iets over de aanwezigheid van mensen uit de Perzische wereld in de Hidjaz van toen.
Wie was Djaabaan al-Kurdi?
Na deze lange introductie kunnen we dan eindelijk overgaan op de vraag wat we nu precies weten over de sahabi genaamd Djaabaan al-Soeradi al-Kurdi. En zoals ik eerder al zei, is dat bijna niets. Maar hier is wat we wél weten.
Allereerst kunnen we dus met zekerheid zeggen dat er een sahabi is geweest die in de bronnen Djaabaan al-Soeradi (جابان الصردي) wordt genoemd en dat hij als moslim is overleden. Waar met de naam ‘Al-Soeradi’ precies naar werd verwezen, weten we niet. Er zijn hier en daar wat speculaties gedaan, maar die lijken mij te ver gezocht.
De manier waarop hij wordt vermeld in historische encyclopedieën over de Sahaabah, laat zien dat hij niet bekendstond als een persoonlijkheid op zichzelf, maar meer als ‘de vader van’. Wat ik daarmee bedoel, is dat de hadieth-geleerden zijn zoon beter lijken te hebben gekend dan hemzelf. Wanneer experts als Ibn Hadjar al-‘Ashqalaani of historici als Ibn al-Athier[7] namelijk over hem schrijven, noemen ze zijn naam, en presenteren ze hem vervolgens als ‘de vader van Maymoen’ (والد ميمون).[8] Deze Maymoen, die in de bronnen regelmatig Maymoen al-Kurdi wordt genoemd, was een tabi’ie (opvolger van de sahaabah – onderdeel van de Salaf as-Saalihoen[9]).
Maymoen komt in meerdere werken voor als overleveraar van ahadieth. Zo is hij een van de overleveraars die stelt dat ‘Umar ibn al-Khattaab zei dat de Boodschapper van Allah ﷺ zei: ‘Voorwaar, hetgeen waarvoor ik het meest vrees voor mijn gemeenschap is de welbespraakte huichelaar (moenaafiq) die spreekt met kennis.’[10]
Uit de korte fragmenten die we over Djaabaan hebben, kunnen we opmaken dat hij de Profeet ﷺ meerdere malen heeft gezien en een langere tijd in zijn aanwezigheid verbleef. Toch zijn er geen overleveringen over hem en heeft hij ook zelf slechts heel weinig over de Profeet ﷺ onderwezen, ook aan zijn zoon.
Een oorzaak daarvan kunnen we opmaken uit een ander encyclopedisch werk, die van de hadieth-geleerde Aboe Nu’aym al-Isfahaani (948 – 1038 n. Chr./336 – 430 H.). In zijn Ma‘rifat as-Sahaabah wa fadaa’iluhum, schrijft hij over een voorval waarbij de grote geleerde Malik ibn Dinar, op een dag aan Maymoen al-Kurdi vroeg: ‘Waarom overlevert de shaykh [red. dus Maymoen] geen hadieth van zijn vader? Jouw vader heeft immers de Profeet ﷺ nog meegemaakt en van hem gehoord.’ Daarop antwoordde Maymoen:
‘Mijn vader vertelde ons normaal gesproken niet over de Profeet ﷺ uit angst dat hij (per ongeluk) iets aan zijn woorden zou toevoegen of verminderen. En hij zei: ‘Ik heb de Boodschapper van Allah ﷺ horen zeggen: Wie opzettelijk over mij liegt, laat hem dan zijn zitplaats in het Vuur innemen.’ Maar ik zal jullie een overlevering vertellen die ik hem meerdere keren heb horen overleveren – niet één keer, niet twee keer en niet drie keer – hij zei: ‘Ik hoorde de Profeet ﷺ zeggen: Een man die een vrouw huwt terwijl hij niet van plan is om haar haar bruidsgave (mahr) te geven, hij zal Allah, de Verhevene en Majesteitelijke, ontmoeten op de Dag der Opstanding als een ontuchtpleger. En welke man ook één dinar leent terwijl hij niet van plan is die terug te betalen, en hij sterft zonder die te hebben terugbetaald, hij zal Allah, de Verhevene en Majesteitelijke, ontmoeten op de Dag der Opstanding als een dief.’[11]
Weinig redenen om meer over hem te schrijven
Helaas is dit vrijwel alles wat over deze sahabi bekend is. Djaabaan al-Kurdi was terughoudend in het delen van zijn ervaringen met de Profeet ﷺ, naar verluidt uit vrees om iets onjuists over hem te zeggen. Of deze terughoudendheid voortkwam uit beperkte omgang en studie bij de Profeet ﷺ, uit onzekerheid over zijn geheugen, of uit een nog onvolledige beheersing van de taal, blijft onbekend. Maar deze terughoudendheid vormt wel een belangrijke verklaring voor het feit dat de hadieth-encyclopedieën slechts summier over hem berichten. Deze werken werden immers samengesteld om overleveraars nauwkeurig te documenteren en om de context van hun overleveringen te verduidelijken. In het geval van Djaabaan lijkt die noodzaak eenvoudigweg minder aanwezig te zijn geweest.
Buiten Djaabaan al-Soeradi zijn er geen verdere aanwijzingen voor het bestaan van Koerdische sahaabah. Bij de tabi’oen en de atba’ al-tabi’ien (de daaropvolgende twee generaties van de Salaf) ligt dat anders. Djaabaans bekende zoon was niet de enige Koerd uit die generatie. Aangezien de Koerden zich reeds acht jaar na het overlijden van de Profeet ﷺ in grote aantallen tot de islam bekeerden, verschijnen in de islamitische bronnen uit die periode steeds vaker historische figuren met de bijnaam ‘al-Kurdi’.
Maar daarover misschien meer in andere artikelen.
[1] Funfact: de overlevering zegt hier niet witte of blanke, maar ahmar (أَحْمَرَ), war eigenlijk ‘rode’ betekent. De Arabieren van toen noemden niet-zwarte mensen ‘rood’, wat voor velen ‘witte’ mensen eigenlijk misschien veel toepasselijker is dan ze wit te noemen. Maar nu snel terug naar het verhaal!
[2] Moesnad Imam Ahmed.
[3] Soerah al-An‘aam (6): 52. Overigens wordt dit in meerdere verzen in de Koran zo gesteld, bijvoorbeeld in Soerah al-Kahf (18): 28.
[4] Soenan Abie Dawoed, boek 2, hadieth 526 (Bab an-Nadhari fie as-Salaat).
[5] Daḥḥaam Ibrahim al-Hasniyaani, Sierah as-Ṣaḥabi Djabaan al-Kurdi wa-ibnuhu al-Tabi’iMaymoen, (Erbil, 2018), p. 55-57.
[6] Safiyy ar-Rahmaan al-Moebaarakfoeri, De verzegelde nectar. Biografie van de Profeet Mohammed ﷺ, p. 198-199.
[7] ʿIzz al-Dīn Ibn al-Athīr al-Jazarī, Asad al-Ghābah fī Maʿrifat al-Ṣaḥābah, deel 1 (Beiroet: Dār al-Kutub al-ʿIlmiyyah, n.d.), 484.
[8] Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī, al-Iṣābah fī Tamyīz al-Ṣaḥābah, deel 1 (Beiroet: Dār al-Kutub al-ʿIlmiyyah, n.d.), 540.
[9] Salaf as-Salihoen: aanduiding voor de eerste drie generaties moslims – de metgezellen van de Profeet ﷺ, hun opvolgers en diens opvolgers – die in de islamitische traditie worden beschouwd als het meest gezaghebbende voorbeeld in geloofsleer, interpretatie van de openbaring en religieuze praktijk.
[10] Moesnad Imam Ahmed, boek 2, hadieth 217.
[11] Aboe Nu’aym al-Isfahaani, Ma‘rifat as-Sahaabah wa fadaa’iluhum, p. 3073.