Dit artikel gaat over Taagdaa bint Sa’ied, een van die door velen vergeten vrouwen uit de geschiedenis van de islam en moslims. Geboren in de eerste helft van de negentiende eeuw in het Marokkaanse berglandschap van de Sous al-Aqsa, behoorde ze tot de meest bekende vrouwen van de dorpen in haar omgeving. Ze bracht meerdere invloedrijke personen voort die een rol speelden in de ontwikkeling van het Marokkaanse rijk in de eeuw van het modern imperialisme. Maar vandaag de dag is ze nauwelijks nog bekend. Toch vind ik haar een dusdanige bron van inspiratie dat ik haar wil vereeuwigen als rolmodel voor de huidige én toekomstige generaties moslims wereldwijd.
Sluierloos bij vele geleerden: waarom Taagdaa als inspiratiebron?
Wat mijn persoonlijke interesse wekte in de persoon van Taagdaa, is vooral wat zij aan het einde van haar leven had bereikt. Het resultaat was er een om jaloers op te zijn; een resultaat dat ik, en met mij ongetwijfeld vele anderen, ook zouden willen bereiken. Iets in het leven van deze vrouw maakte namelijk dat zij, zoals omschreven door haar biograaf en kleinzoon (waarover zo meer), ‘haar sluier kon afdoen’ in het bijzijn van vele islamgeleerden uit die tijd. Hij licht dit als volgt toe:
‘Zij kende een positie zoals men die vertelt over Fatima, de dochter van Yazīd ibn Mu’awiyah, die haar sluier kon afdoen in het bijzijn van vele Oemayyadische kaliefen: haar vader Yazīd, haar grootvader Mu’awiyah ibn Abi Sufyan, haar broer Mu’awiyah ibn Yazīd, haar echtgenoot ‘Abd al-Malik, haar schoonvader Marwan ibn al-Hakam, haar zoon Yazīd ibn ‘Abd al-Malik, haar stiefzonen al-Walīd, Hisham en Sulayman, haar kleinzoon al-Walīd ibn Yazīd en anderen. Zo ook genoot deze vrouw [red. dus Taagdaa] een vanzelfsprekende nabijheid tot de geleerden en leiders van Ilgh, onder wie haar zoon, mijn vader, en vele anderen.’[1]
Taagdaa had gedurende haar lange leven (ze werd meer dan honderd jaar oud!) zoveel geïnvesteerd in haar familie, dat uit haar nakomelingen bewonderenswaardig veel islamgeleerden waren voortgekomen. Haar kleinzoon zegt daarover het volgende:
‘Zij maakte de geboorte mee van tientallen, ja zelfs bijna tweehonderd kleinkinderen en achterkleinkinderen. Mijn vader begon vóór 1328 H. [red. 1910/1911 n.Chr.] hun aantal te tellen; toen waren zij al meer dan honderdvijftig. Bij haar overlijden waren het er nog meer. Alle kinderen waren aanwezig bij haar overlijden. Mijn oom Ibrahim vertelde mij dat alleen al het aantal Koran-memoriseerders (hoeffaadh) onder haar nakomelingen rond de zeventig lag. Ik schat dat het er nu nog meer zijn. Het aantal islamgeleerden bedraagt meer dan twintig, variërend van prominente autoriteiten tot minder bekende geleerden.’
Dit geeft ons voldoende aanleiding om ons af te vragen wat er zo bijzonder was aan haar persoon en daden, waardoor haar leven uitmondde in een nalatenschap als deze. Daarom heb ik geprobeerd om uit de wirwar van onsamenhangende biografische informatie – kenmerkend voor vroegere encyclopedische werken – een samenhangend verhaal te reconstrueren en conclusies te trekken over Taagdaa bint Sa’ied en wat er van haar te leren valt.
Laten we beginnen.

Niet zomaar een vrouw uit de Sous
De geschiedenis van Taagdaa[2] begint eigenlijk bij iemand anders, namelijk haar bekende kleinzoon, sheikh Mohammed al-Mokhtar as-Sousi. Sheikh Mohammed al-Mokhtar (1318–1383 H./1900–1963 n. Chr.) was een Marokkaanse islamgeleerde, historicus, schrijver, intellectueel verzetsstrijder en politicus uit de Sous, in het zuiden van Marokko. Na de onafhankelijkheid werd hij benoemd tot Minister van Religieuze Fondsen (Awqaaf) en Islamitische zaken. Begin jaren zestig publiceerde hij een twintigdelige encyclopedie, getiteld ‘Al-Ma’sūl fīal-Ilghīyīn wa-asātidhatihim wa-talāmidhatihim wa-asdiqā’ihim al-Sūsīyīn’.[3] In deze Al-Ma’sūl, wat literair duidt op iets dat honingzoet is (van het woord honing – letterlijk: behoningd) en dus uitblinkt, heeft hij honderden biografieën verwerkt van bekende en minder bekende geleerden en belangrijke personen uit de Sous, met name uit het gebied rondom zijn geboorteplaats Ilgh (الغ), of Iligh (إليغ), een kleine nederzetting in de tegenwoordige provincie Tiznit.
Het werk is een ongekende schat aan biografische en religieuze, maar vooral aan sociale geschiedenis van de regio. Hoewel het vrijwel uitsluitend over mannen gaat, kon hij het niet laten om regelmatig te verwijzen naar de belangrijke rol van verschillende vrouwen in die omgeving. Meerdere werden bij naam genoemd, maar niet alle vrouwen kregen een eigen biografie. Toch erkende hij expliciet dat vele dat wel verdienden. Hij moest echter keuzes maken en verwoordde zijn dilemma door te stellen dat er helaas nog niet eens ‘recht was gedaan aan degenen met tulbanden, laat staan dat men zich al zou kunnen wijden aan degenen met sluiers’.[4] En dus focuste hij zich in zijn werk op degenen die meer publiekelijk actief waren in de maatschappij.
Om toch een beeld te schetsen van de onmisbare rol van vrouwen bij de totstandkoming van die maatschappij, koos hij ervoor om een biografie van vier pagina’s te wijden aan één vrouw die hij representatief achtte voor de vele vrouwen die ‘een blijvende plaats in de geschiedenis waard’[5] waren. Zo kreeg Taagdaa bint Sa’ied, zijn eigen grootmoeder van vaderszijde, een plaats in zijn encyclopedie.
Wie was Taagdaa bint Sa’ied
Taagdaa werd geboren in het jaar 1242 H. (1826 of 1827 n. Chr.) in het plaatsje Ilgh als dochter van Sa’ied ibn Mohammed ibn al-Ḥasan ibn Sa’ied ibn ‘Ali ibn Belqasim ibn ‘Abdullah ibn Sa’ied. Haar biograaf schrijft: ‘Haar vader Sa’ied ibn Mohammed behoorde tot onze Sa’iedi-familie, afstammelingen van Belqasim ibn ‘Abdullah ibn Sa’ied. Hij werd begraven in Tīdlī Bā-Ighshān. Zij woonden in de vlakte van Wāksharīr, bij Ayt Moesa in Majāṭ. Sa’ied ibn Mohammed werd gezegend met zonen en dochters.’ Tot zijn dochters behoorden ‘Aisha, Safiyyah, en onze eigen Taagdaa.
Haar biograaf omschrijft zijn oma expliciet als een intelligente vrouw met kennis van de islam, die zij haar hele leven actief verspreidde onder de mensen om haar heen. In het jaar 1260 H. (1844/45 n.Chr.) trouwede ze op ongeveer 18-jarige leeftijd met Sidi Ahmed ibn Mohammed. Kort daarna werd ze zwanger en kreeg ze haar eerste kind. Vanaf dat moment laat haar leven zich kenmerken door vier telkens terugkerende eigenschappen.
Eigenschap 1: Binnenshuis bouwen aan de maatschappij buitenshuis
Uit de manier waarop Taagdaa door haar kleinzoon wordt omschreven, kunnen we opmaken dat ze bekendstond als een intelligente, scherpzinnige en sterke vrouw. Ze had zich heel bewust een missie eigen gemaakt: actief bijdragen aan de opbouw van een sterke maatschappij door aan het thuisfront sterke mannen en vrouwen te vormen. Dit lijkt geen rol te zijn geweest die ze uit automatisme vervulde, maar een overtuiging die ze ook met regelmaat uitsprak. Uit meerdere anekdotes blijkt namelijk dat ze daar heel bewust mee bezig was.

Zo schrijft sheikh Mohammed al-Mokhtar bijvoorbeeld hoe zijn liefhebbende oma hem als klein kind meenam naar de bergen om hem daar in de natuur op te voeden om aan te sterken. Tegelijkertijd vertelt hij hoe fel ze kon zijn als ze het idee kreeg dat het moederschap niet naar behoren werd volbracht. Zo vertelt hij in een anekdote hoe zijn zus Fatima streng werd aangesproken toen ze na de bevalling enkele dagen in haar kraambed bleef liggen. Taagdaa vond dat een teken van zwakte, waarop ze haar toesprak met een sarcasme zoals alleen oma’s dat kunnen:
‘Gezegend zij Allah om jullie, o vrouwen van deze tijd (Tabaarak Allah fiekun, ya nisaa al yawm)! Door jullie zijn gezinnen tot stand gekomen! Door jullie worden mannen grootgebracht! Door jullie zijn de voorraadkamers van de huizen gevuld. Gezegend zij Allah, gezegend zij Allah (Tabaarak Allah, Tabaarak Allah)! Is het werkelijk zo dat telkens wanneer één van jullie een stuk vlees uit haar buik voortbrengt, zij zich terugtrekt in een hoek van een donker huis, het hoofd bedekt met lichte gewaden, te midden van zachte bedden en weelderige dekens? Schande over jullie en over jullie tijd. En gedoemd zijn zij die hopen dat door jullie handen mannen worden opgevoed die zich waardig voortbewegen in de samenleving en die standhouden en weerstand bieden tegenover de vijand.’[6]
Volgens Mohammed al-Mokhtar as-Sousi was het ‘de gewoonte’ van de vrouwen van toen om zichzelf daadwerkelijk te zien als de sterke eindverantwoordelijken voor alles wat binnenshuis gebeurde wanneer de man afwezig was. Daaronder viel niet alleen het verzorgen van de toekomstige generatie, maar vooral ook het actief vormen van hun karakter, hun religiositeit en hun fysieke gesteldheid en gezondheid. Zij wachtten daarbij niet op hulp of inbreng van hun echtgenoten, laat staan op een verzoek om zich over deze taken te ontfermen. Het ging om een actieve, zelfbewuste verantwoordelijkheid: een algemeen heersende mentaliteit die de sheikh onder woorden bracht aan de hand van een bekend Shilhi[7]-gezegde, waarin vrouwen tegen de mannen zouden zeggen: ‘Laat aan ons het gezag over het huis, en wij laten aan jullie het spreken daarbuiten.’
‘Zo bleven gezinnen hecht en ordelijk, waardoor echtscheidingen nauwelijks voorkwamen, en polygamie slechts uiterst zelden, als een grillige uiting van de natuur,’ aldus de biograaf.
Voor vrouwen als Taagdaa waren kinderen er niet om er simpelweg bij te hebben en vervolgens hun tijd te laten doden achter een beeldscherm. Noch was het hebben van kinderen een individuele aangelegenheid waarbij de samenleving zich maar moest aanpassen aan hún prinsjes en prinsesjes. Het was eerder andersom: kinderen waren er om te vormen tot mannen en vrouwen die die de samenleving zouden vormgeven, en die ‘zich waardig voortbewegen in de samenleving en die standhouden en weerstand bieden tegenover de vijand’ en alles wat verkeerd is. Met name de intelligentere onder hen waren zich bewust van hun historische rol: binnenshuis bouwden zij aan de vormgevers van de maatschappij buitenshuis.
Eigenschap 2: Sterk blijven in tijden van tegenslagen
Maar wat als je wel zou willen zijn zoals hierboven omschreven, maar je man niet in staat is daar volledig aan mee te doen, bijvoorbeeld vanwege langdurige afwezigheid om het gezin te onderhouden, of door reizen die vroeger weken, maanden of zelfs jaren konden duren? Of wat als je man simpelweg te ziek of labiel is of helemaal niet meewerkt? Voor vrouwen als Taagdaa waren dat geen redenen om de hierboven genoemde doelen opzij te zetten of daarin te verzaken.
Wie de geschiedenis van vrouwen als Taagdaa bestudeert, zal opmerken dat vrouwen er in zulke gevallen eenvoudigweg een taak bij namen en zich nóg harder gingen inzetten voor hun gezinnen. Ook Taagdaa kende tegenslagen, bijvoorbeeld door kinderen die haar zelfs op latere leeftijd moeilijkheden bezorgden.
Ze vertelde bijvoorbeeld over een ‘verschrikkelijke beproeving’ die ze ooit had meegemaakt met haar zoon ‘Ali, die zich had aangesloten bij een soefie-gemeenschap in de omgeving. Binnen deze gemeenschap gold een eigenaardige methode om nieuwelingen te laten breken met innerlijke kwalen als egoïsme, hoogmoed en liefde voor het wereldse. Voordat zij bij de sheikh in de leer mochten gaan, moesten zij als in armoede rondzwerven en voedsel bijeen bedelen, wat Taagdaa uiterst vernederend vond.
Toen haar het nieuws bereikte dat ‘Ali bedelend langs de deuren ging in de dorpen in de omgeving, stuurde ze gelijk haar andere zoon naar hem toe om hem hardhandig naar huis te slepen en in de boeien te slaan. ‘Ali begon zich als krankzinnige te gedragen en bleef dagenlang uitschreeuwen dat hij honger zou hebben. Hoewel zijn moeder hem allerlei voedsel en lekkernijen bracht, schonk hij daar geen aandacht aan.

Taagdaa bleef haar zoon persoonlijk verzorgen en even leek zijn verstand te zijn teruggekeerd: hij sprak helder, vroeg waarom hij geboeid was en verklaarde dat hij weer bij zinnen was. Toen zijn boeien werden verwijderd kleedde ‘Ali zich netjes en gedroeg hij zich normaal, waarop Taagdaa haar geluk uitsprak door Allah te prijzen uit dank. Maar het herstel was van korte duur. Kort daarna meldde een buurvrouw namelijk dat ‘Ali opnieuw luidkeels door de straten liep te roepen en te bedelen, waarna Taagdaa in paniek op haar muilezel sprong om hem achterna te gaan. Ze ging langs de dorpen in de wijde omgeving opzoek naar haar zoon. Daardoor liet ze noodgedwongen haar doodzieke man, die ze dagelijks verzorgde, achter bij haar andere kinderen.
De nacht viel, maar haar zoon was nog altijd niet gevonden, waardoor zij bij familie in een nabijgelegen dorp overnachtte. De volgende ochtend bereikte haar het bericht dat haar man diezelfde nacht was overleden. Overmand door de ellende van enerzijds het overlijden van haar echtgenoot en anderzijds haar krankzinnige, rondzwervende zoon, besloot ze terug te keren naar haar dorp om zich over de begrafenis en het gezin te ontfermen en haar zoon ‘over te laten aan de zorg van Allah.’[8] Maar ondanks al deze ellende gaf ze de moed niet op. Ze hield zich sterk voor de mensen om haar heen en bleef zich voortdurend van bewust van Allah en hoopte op Zijn hulp en bijstand.
Eigenschap 3: De vrome opvoeder van de mensen om haar heen
Zo bleef Taagdaa voortdurend een actieve opvoeder, zowel van haar gezin als van anderen om haar heen. Toen ze ouder werd genoot ze een bijzonder spiritueel aanzien. Ze reisde langs de nederzettingen en werd overal met eerbied ontvangen, mede omdat ze door verwantschap met vrijwel elke familie verbonden was. Mensen vroegen haar om smeekbeden, waarvan sommige – zo werd verteld – zichtbaar werden verhoord. Men schreef haar scherpzinnigheid toe en sprak zelfs over wonderlijke tekenen. Binnen haar familie werd zij beschouwd als een van Allah’s awliyaa,[9] al werd haar dat volgens haar biograaf nooit openlijk tegen haar gezegd.
Ze omringde zich met geleerde en vrome mensen, waardoor religiositeit en haar verbondenheid met Allah voortdurend het middelpunt van haar leven vormden. En dat had bijzondere gevolgen. Taagdaa, die volgens haar biograaf niet bekendstond als iemand die overdreef of verzinsels geloofde, vertelde bijvoorbeeld dat haar zoon bij zijn vertrek naar de bedevaart had opgedragen de achtergebleven dadels te verkopen om een schuld af te lossen. Toen het benodigde bedrag was ingezameld, bleken de dadels niet verminderd te zijn; integendeel, ze zei dat ze ’s nachts het gevoel had dat deze zelfs toenamen en dat ze beweging hoorde, alsof er vermeerdering plaatsvond. Haar biograaf, die zelf eveneens waarde hechtte aan een kritische benadering van dergelijke overleveringen, vermeldt dat zich meer van dit soort voorvallen voordeden. Zo was er tijdens een maaltijd een kruik met slechts wat resten boter, waarvan telkens opnieuw kon worden opgeschept, totdat deze uiteindelijk overstroomde.
Eigenschap 4: Niets als excuus om rustiger aan te doen
De eerdergenoemde Fatima vertelde haar broer, de biograaf, hoe haar oma haar vertelde over haar eigen bevallingen: ‘Tijdens de kraamtijd raakten wij de aarde slechts aan om onze pasgeborenen op te pakken, waarna wij weer opstonden en onze bezigheden hervatten, zonder deze zwakheden en overdreven rustperiode waaraan jullie tegenwoordig gewend zijn.’ Toen vertelde ze dat ze zich herinnerde dat ze ooit in Isaafan was, een weidegebied waar een bepaalde stam ieder voorjaar naartoe ging om de dieren te laten grazen. Ze was zwanger van een van haar zoons en kreeg weeën: ‘net als bij jullie, o halve vrouwen!’

Daarna trad Taagdaa in detail: ‘Ik trok mij alleen terug in een hoek van de schaapskooi. Er was geen vrouw bij mij die de rol van vroedvrouw vervulde, en ik had haar zelfs niet nodig gehad als zij er was geweest. Ik baarde het kind, nam hem zelf vast, terwijl de nacht donker was. De herders sliepen rondom de kooi, en het enige wat ik hoorde was het blaten van schapen en het af en toe blaffen van waakhonden. Ik stond onmiddellijk op, reinigde mij zo goed ik kon, sneed de navelstreng door, wikkelde het kind in een doek en legde hem, nadat ik hem had gezoogd, neer in een mand gevuld met stro. Tegen de dageraad brak het tijdstip aan waarop ik de schapen moest melken. Het waren er tientallen. Ik dwong mijzelf tot volharding, molk de schapen en bevond mij bij het ochtendgloren alweer tussen de herders. Niemand merkte dat ik een pasgeborene had, pas na een of twee dagen werd het bekend.’
Taagdaa vermaande vervolgens haar kleindochter Fatima: ‘Zo waren wij op jullie leeftijd, o dochters van vandaag, en toch beschouwden wij onszelf niet als iets bijzonders. Maar jullie, o vrouwen van deze generatie – zwak en zonder samenhang – brengen niet meer voort dan mooiklinkende woorden en pronkerig gedrag binnen de huizen. Noch hebben jullie de religie van Allah naar behoren gediend, noch hebben jullie voor jullie gezinnen geleefd, noch hebben jullie voldaan aan de plichten die het leven oplegt. Jullie hebben niet echt bestaan, en evenmin degenen die op jullie rekenden voor het gezin.’
Een pittige oma, maar juist dit soort botte adviezen zijn – hoe overdreven ze soms ook klinken – na enig filteren meestal verrassend waardevol. Want waar hebben we eigenlijk reden toe om trots te zijn of te pronken, als we bij niemand bekendstaan als mensen die van nut zijn voor anderen? Of, zoals Taagdaa het formuleerde, als we ‘noch Allah’s religie hebben gediend, noch onze gezinnen?’
Zeker geen uitzondering
Taagdaa bint Sa‘ied was geen uitzondering. Alleen al binnen de familie waren er meerdere vrouwen als zij. Volgens Mohammed al-Mokhtar as-Sousi stond Taagdaa model voor een veel bredere groep vrouwen die in de Sous al-Aqsa het fundament vormden van de islamitische opvoeding waarop de gemeenschap rustte. Over hen schrijft hij ondubbelzinnig: ‘Zij is echter niet de enige vrouw uit onze stam die het verdient genoemd te worden, want de vrouwen van onze gemeenschap hebben onze mannen vooruitgelopen op het pad van religieuze toewijding en hen overtroffen in rechtschapenheid.’[10]
Taagdaa werd dan ook vooral gekozen vanwege hoe dicht de biograaf op de bron zelf zat en alle info kon verifiëren, maar het liefst had hij er meer behandeld. Zo schrijft hij: ‘Ik vroeg mijn oom eens welke vrouwen uit onze gemeenschap het waard waren genoemd te worden. Hij noemde er velen. Na hem uitvoerig te hebben ondervraagd over hun bekendheid op het gebied van verstandigheid, kuisheid en zorg voor het gezin, besloot ik één vrouw te kiezen als representatief voorbeeld voor hen allen.’[11]
Een nieuwe influencer
Wil ik met deze (voor de eenentwintigste-eeuwse mens) ‘extreme’ anekdotes van Taagdaa zeggen dat er dan écht geen excuus bestaat om het wat rustiger aan te doen? Natuurlijk niet – die zijn er zelfs in overvloed, en de islam houdt daar volledig rekening mee. Tegelijkertijd kunnen we niet ontkennen dat de uitblinkers uit de geschiedenis, zowel mannen als vrouwen, zich zelden neerlegden bij hun omstandigheden en zo min mogelijk genoegen namen met redenen die het voor hen zouden legitimeren om gas terug te nemen. En hoewel het voor ons niet altijd mogelijk is om te worden zoals zij, kunnen we hen wél als voorbeeld nemen: niet om hen exact te evenaren, maar om te proberen in hun richting te groeien. Dat streven brengt ons vrijwel altijd verder dan wanneer we genoegen nemen met het minimale dat Allah, de Verhevene, van ons vraagt.
In haar laatste levensjaren werd haar lichaam zwak en kon zij bij vreugde of verdriet gemakkelijk het bewustzijn verliezen, maar in haar daden bleef ze vrijwel onveranderd: ze bleef bidden, bezocht graven, gaf aalmoezen namens hun bewoners en bleef mensen vermanen en aansporen tot het goede. Uiteindelijk overleed ze op 14-11-1340 H. (waarschijnlijk tussen 6 en 8 juli 1922), maar haar invloed eindigde niet met haar dood: uit haar nakomelingen kwamen meer dan honderd mannen en vrouwen voort die de islam konden dragen en doorgeven.
Een inspiratiebron als Taagdaa bint Sa‘ied liep het risico in de vergetelheid te raken, en juist daarom is het aan haar opvolgers om haar herinnering levend te houden. Zij verdient het om opnieuw als rolmodel te worden gezien, een influencer voor iedere moslimvrouw. Met deze biografie hoop ik daartoe een aanzet te geven. Ik sluit haar verhaal af zoals zij zelf had gewild, namelijk zoals ook haar kleinzoon deed door te voldoen aan haar verzoek: ‘Hoe vaak, heeft zij mij niet opgedragen om na haar dood voor haar te bidden (…), O Allah, ontferm U over haar met een allesomvattende Barmhartigheid, geef haar een plaats in de hoogste rangen, vervang haar slechte daden door goede; U bent de Alhorende, de Verhorende.’
[1] Mohammed al-Mokhtar as-Sousi (محمد المختار السوسي), al-Maʿsūl fī al-Ilghīyīn wa-asātidhatihim wa-talāmidhatihim wa-aṣdiqā’ihim al-Sūsīyīn, vol. 2 of al-Maʿsūl (المعسول), ed. [onbekend indien niet vermeld in druk] (Casablanca: Maṭbaʿat al-Najāḥ, 1960), 54–57, p. 56.
[2] De ene keer wordt haar naam geschreven als Taagdaa (met een ڭ), de anderre keer weer als Takdaa (تكدا), dan weer als Taakdaa (تاكدا), en dan weer als Takdah (تكدَة). Tot er een Sous- of Tachelhit-kenner is die mij van het doorslaggevende antwoord kan voorzien, blijf ik haar Taagdaa noemen.
[3] السوسيين المعسول في الإلغيين وأساتذتهم وتلامذتهم وأصدقائهم
[4] Mohammed al-Mokhtar as-Sousi, al-Maʿsūl, p. 54.
[5] Idem.
[6]Idem, p. 55.
[7] Shilha (ook Tashelhiyt genoemd) is een Amazigh-dialect dat in het zuiden van Marokko wordt gesproken.
[8] Mohammed al-Mokhtar as-Sousi (محمد المختار السوسي), al-Tiryāq al-Mudāwī fī Akhbār al-Shaykh Sīdī ʿAlīal-Sūsī (الترياق المداوي في أخبار الشيخ سيدي علي السوسي) (Beiroet: Dār al-Kutub al-ʿIlmiyya, 2015), p. 33.
[9] Awliyaa (enkelvoud: walī) is een Arabische term die letterlijk nabijen, beschermers of vrienden betekent. In islamitische context verwijst de term naar vrome gelovigen die een bijzondere nabijheid tot Allah hebben bereikt door hun geloof, godsvrucht en manier van leven.
[10] Mohammed al-Mokhtar as-Sousi, al-Maʿsūl, p. 54.
[11] Idem.