De afschaffing van het islamitische recht in Turkije
En wat eraan voorafging 

Door: TalhaYıldız 

In veel moslimlanden is het islamitisch recht – vooral op het terrein van familierecht – deels nog van toepassing.[1] Maar in de tegenwoordige republiek van Turkije is het islamitische recht compleet afgeschaft en heeft er een radicale breuk plaatsgevonden met diens religieuze verleden. En daar waar de overgang naar de adoptie van Westers recht in de meeste islamitische landen haar oorsprong vindt in de tijd dat deze door koloniale overheersers waren bezet, is daarvan in geval van Turkije geen sprake. Turkije is namelijk nooit een kolonie geweest.[2] In tegenstelling tot wat veel mensen denken kwam de overgang van islamitisch recht naar Westers recht niet van de een op de andere dag. Immers, binnen het laat-Ottomaanse rijk werden er intern al hevige discussies gevoerd over de modernisering van het rechtsstelsel. De afschaffing van het islamitisch recht is daarom ook niet te begrijpen zonder gedegen kennis te hebben van de ontwikkelingen die in de 19e en 20e eeuw hebben plaatsgevonden.[3] In dit artikel volgt een impressie van enkele van deze discussies en ontwikkelingen binnen het Ottomaanse rijk die voorafgingen aan de complete adoptie van Westers recht in de republiek.

De Tanzimat-periode

De expansie van de economische en militaire invloed van Europa in de 17e en 18e eeuw leidde binnen het Ottomaanse rijk tot een langdurig debat over de koers die het rijk moest gaan varen om de verbrokkeling van macht tegen te houden. Binnen dit kader werd een hevig debat gevoerd tussen twee groepen. Daar waar de traditionelen zich verzetten tegen hervormingen naar Europees voorbeeld stonden hervormingsgezinden juist open voor dit soort veranderingen.[4] Na 1800 kregen de hervormingsgezinden langzaam de overhand, waarna veranderingen naar Europees model geleidelijk in gang werden gezet. Aanvankelijk wilde men vooral hervormingen binnen het leger, maar nadien werd in 1839 een drastisch hervormingsprogramma onder de naam ‘Tanzimat’ aangekondigd. Het primaire doel van de Tanzimat was om het staatsbestel te hervormen op sociaal, politiek en juridisch vlak.[5] Op juridisch niveau werd enerzijds de rechterlijke organisatie naar Europees voorbeeld ingericht. Anderzijds was er sprake van vertaling en invoering van Westerse wetboeken. Zo werd onder andere respectievelijk in 1850 het Wetboek van Handelsrecht, in 1861 het Wetboek van Handelsprocesrecht, in 1863 het Wetboek van Zeehandel en in 1879 het Wetboek van Strafprocesrecht ingevoerd. Deze wetboeken waren allen zowel qua vorm als inhoud Westerse wetboeken.[6]

‘The Allies’ (de bondgenoten): Sultan Abdülmecid I, de Britse koningin Victoria en de Franse president (later keizer) Louis-Napoléon Bonaparte (III). Onder Abdülmecid werden de Tanzimat-hervormingen doorgevoerd.

Het Burgerlijk Wetboek: Mecelle

Ondanks de invoering van Westerse wetboeken was binnen de Tanzimat-periode ook sprake van codificatie van het islamitische recht, zoals bij de Mecelle. De discussie die in de gehele Tanzimat-periode werd gevoerd betreffende de wijze waarop de staat moest worden hervormd is ook terug te zien bij de totstandkoming van de Mecelle. Terwijl men het er binnen de bureaucratie over eens was dat de totstandkoming van een burgerlijk wetboek noodzakelijk was verschilde men van mening betreffende de rechtsbron van dit wetboek. Enerzijds was Mehmed Emin Ali Pasha een voorstander van adoptie van de welbekende Franse Code Civil. Anderzijds was Ahmet Cevdet Pasha van mening dat er op grond van het islamitisch recht een wetboek moest worden opgesteld. Na langdurige beraadslagingen kreeg Ahmet Cevdet Pasha de taak om met een commissie een burgerlijk wetboek op te stellen.[7] Dit betekende tegelijkertijd ook een overwinning voor de traditionelen.

Hiermee was de totstandkoming van het eerste islamitische ‘wetboek’ een feit. De Mecelle werd in de jaren 1868-1876 opgesteld en trad geleidelijk in werking. Het bestond in totaal uit 16 boeken en 1851 wetsartikelen waarin juridische regels waren opgenomen over onder andere contracten, aansprakelijkheid, goederen en procesrecht, allen gebaseerd op de Hanafi-school.[8] Regels omtrent personen- en erfrecht zijn in dit wetboek niet opgenomen, waardoor in de literatuur wordt benadrukt dat de Mecelle niet kan worden aangemerkt als een compleet burgerlijk wetboek.[9] Desondanks is dit wetboek bijzonder te noemen omdat er sprake was van een eerste poging die door een staat was ondernomen om een deel van het islamitische recht op moderne wijze te codificeren.[10]

Het Wetboek van Familierecht: Hukuk-i Aile Kararnamesi

Hoewel met de totstandkoming van de Mecelle grote delen van het burgerlijk recht waren gecodificeerd was een belangrijk onderdeel van het burgerlijk recht, het familierecht, dat nog niet. Aan het begin van de twintigste eeuw werd besloten om ook daar werk van te maken. Het voltooien van de codificatie van het burgerlijk recht, de sociale problemen die als gevolg van langdurige oorlogstijden waren ontstaan, de cultuurverandering binnen de samenleving, de opkomst van het feminisme en de discussies tussen denkers over sociaal-politieke kwesties kunnen allemaal als oorzaken van dit proces worden gezien. Dit wetboek, dat onder leiding van Mahmud Esad Efendi werd opgesteld, trad op 25 oktober 1917 in werking. Het wetboek bevat in totaal 157 wetsartikelen waarin zowel voor moslims als voor joden en christenen aparte wetsartikelen zijn vastgelegd. Hoewel er met de inwerkingtreding van dit wetboek gedeeltelijke een einde kwam aan de eeuwenoude juridische autonomie die de joden en christenen hadden verworven waren deze minderheidsgroepen met deze ontwikkeling niet aan het islamitische recht onderworpen. Voorts werd in tegenstelling tot de Mecelle, bij de totstandkoming van dit wetboek de eclectische methode toegepast. Met andere woorden; er werd niet uitsluitend een beroep gedaan op juridische oordelen van de Hanafi-school, maar men raadpleegde de juridische oordelen uit verschillende rechtsscholen. Deze eigenschappen zorgden onder bepaalde groepen voor hevige kritiek. Enerzijds uitten de joden en christenen hun ontevredenheid vanwege het feit dat zij afstand moesten doen van hun juridische autonomie. Anderzijds waren conservatieve moslims – hoewel dit wetboek was gebaseerd op het islamitische recht – ontevreden dat bij de totstandkoming van dit wetboek een beroep werd gedaan op verschillende rechtsscholen. Tijdens de bezetting van Istanbul door de geallieerden werd dit wetboek op 19 juni 1919, na een korte periode van anderhalf jaar, afgeschaft. Desondanks bleef dit wetboek in moslimlanden zoals Syrië, Jordanië, Palestina en Libanon lange tijd in werking.[11]

Ahmet Cevdet Pasha werd het brein achter de Mecelle

Ontwikkelingen na de oprichting van de Turkse Republiek

Kort voor de stichting van de republiek, werd in 1921 door de regering in Ankara een grondwet opgesteld. Volgens artikel 7 van deze grondwet was het Parlement belast met de uitvoering van de sharia. Er werd bovendien benadrukt dat bij de totstandkoming van wetgeving rekening zal worden gehouden met het islamitische recht.[12] Dit was eigenlijk niets anders dan de voortzetting van de staatspolitiek van de late Ottomanen. Nog voor de oprichting van de republiek werd namelijk in 1916 een commissie ingesteld die de Mecelle zou herzien. In 1920 werd besloten dat deze commissie een beroep mocht doen op alle wetscholen binnen het islamitische recht. Voorts werd na de oprichting van de republiek in 1923 besloten dat deze commissie ook een beroep mocht doen op Westers recht.[13] Hoewel het eruit zag dat het rechtsstelsel van de republiek gebaseerd zou zijn op een synthese van islamitisch- en Westers recht, werden na het Verdrag van Lausanne ingrijpende wijzigingen ingevoerd.

Het Verdrag van Lausanne

Nadat de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog was geëindigd, kwamen diverse landen in het kader van vredesbesprekingen bijeen in de Zwitserse stad Lausanne.[14] Hoewel deze besprekingen vrij weinig betrekking hadden op de hervorming van het Turkse rechtsstelsel waren er twee onderwerpen die hiervoor toch directe gevolgen hebben gehad.

In de eerste plaats was in Lausanne de afschaffing van de capitulaties een belangrijke issue. Terwijl de capitulaties[15] al in 1914 door de Ottomanen waren afgeschaft, werd dit besluit nimmer erkend. Tijdens de vredesbesprekingen voerden Westerse landen aan dat Europese vreemdelingen in Turkije hun privileges moesten behouden. Het rechtsstelsel van de Turken was namelijk gebaseerd op het islamitische recht hetgeen onacceptabel werd beschouwd. Daarom werd geëist dat de rechtszaken van Europese vreemdelingen op basis van Europees recht dienden te worden beslecht. Dat de Turkse delegatie hiertegen aanvoerde dat binnen korte tijd drastische juridische hervormingen zouden worden ingevoerd veranderde daar niets aan omdat de Europese delegaties er weinig vertrouwen in hadden. Na lange beraadslagingen accepteerde de Turkse delegatie een voorstel van de Amerikanen, strekkende tot de afschaffing van de capitulaties, onder voorwaarde dat de Turkse overheid zou toestaan dat Westerse juristen voor een periode van vijf jaar advies zouden verschaffen met betrekking tot het invoeren van juridische hervormingen.[16] De Turkse overheid zou echter niet verplicht zijn om deze adviezen op te volgen.[17]

In de tweede plaats werd ondanks verzet van de Turkse delegatie, in artikel 42 van het Verdrag van Lausanne bepaald dat de Turkse overheid de juridische autonomie van minderheden op het terrein van familierecht dient te eerbiedigen. Nadien werden zelfs commissies ingesteld die op dit terrein afzonderlijke regels hadden opgesteld voor moslims, joden en christenen. De Turkse regering maakte daarentegen in 1926 bekend dat de Mecelle door het Zwitserse burgerlijk wetboek zou worden vervangen. De minderheden die deel uitmaakten van de bovenstaande commissies, beschouwden dit als een positieve ontwikkeling omdat daarmee werd gegarandeerd dat zij onderworpen zouden zijn aan Westers recht. Daarom vonden zij het ook niet nodig om afzonderlijke wetgeving op te stellen die enkel van toepassing zou zijn op minderheden.[18]

De Turkse delegatie in Lausanne, 1923.

Ten slotte

Het lijkt mij een misvatting om de afschaffing van het islamitische recht in Turkije enkel in het licht van het Verdrag van Lausanne te verklaren. Naar mijn mening beschouwden politici van de republiek het Verdrag van Lausanne als een win-win situatie. Immers, de afschaffing van de capitulaties betekende enerzijds het einde van privileges van Europeanen en daarmee ook een einde van buitenlandse inmenging. Met de adoptie van Westers recht konden Turkse politici Westerse staten ervan overtuigen dat de instandhouding van de capitulaties en juridische autonomie van minderheden niet meer nodig was. Anderzijds is het geen geheim dat prominente Turkse politici radicale hervormingen naar Europees voorbeeld ambieerden. Met het Verdrag van Lausanne konden zij hun ambities binnen korte tijd verwezenlijken. Daarom kan wat mij betreft worden geconcludeerd dat het Verdrag van Lausanne de adoptie van Westers recht in een stroomversnelling heeft gebracht.

De afschaffing van het islamitische recht betekende het einde van de langdurige strijd op juridisch vlak tussen traditionelen en hervormingsgezinden, waarvan het begin teruggaat naar de periode van voor de Tanzimat. Daar waar in de eerste jaren van de republiek beide partijen water bij de wijn hadden gedaan – de Mecelle zou namelijk op basis van het islamitisch- en Westers recht worden herzien – besloot men het islamitische recht integraal af te schaffen. In dit kader werden respectievelijk in 1926 het burgerlijk wetboek uit Zwitserland, het wetboek van strafrecht uit Italië, het wetboek van strafprocesrecht en het wetboek van handelsrecht uit Duitsland overgenomen.[19] Hoewel de Mecelle op 4 oktober 1926 werd vervangen door het Zwitserse Burgerlijk Wetboek werd dit wetboek respectievelijk tot 1932 in Libanon, tot 1949 in Syrië, tot 1953 in Irak en tot 1984 in Koeweit toegepast. Daarnaast vormde de Mecelle lange tijd de basis van het civiele recht in Cyprus, Israël en Jordanië.[20]

 

Over de schrijver
Mr. TalhaYıldız (geb. 1990) studeerde Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Tilburg. Hij koestert een grote interesse voor de rechtsontwikkelingen die in het laat-Ottomaanse rijk hebben plaatsgevonden. Bovendien schrijft hij maandelijks opiniestukken voor de krant Doğuş.

 


[1] Zie voor een uitvoerig onderzoek hierover J.M. Otto, A.J. Dekker, L.J. van Soest-Zuurdeeg (red.), Sharia en nationaal recht in twaalf moslimlanden, Amsterdam 2006.
[2] Zie over de invoering van koloniale wetboeken J.M. Otto, Sharia en nationaal recht, Amsterdam 2006, 46-51.
[3] Vgl. A.H. de Groot, ´Het dualisme in het recht van het Ottomaanse rijk´, Recht van de Islam, 12 (1994), 1.
[4] Opmerking: We zijn ons ervan bewust dat dit redelijk gekleurde termen zijn en dat ze impliceren dat de ene groep minder hervormingsgezind was dan de ander, en die de ‘hervormingsgezinden’ in een positiever daglicht stellen dan de ander. Bij gebrek aan beter hebben we deze termen echter alsnog gebruikt, ondanks dat dit de werkelijkheid soms tekort kan doen.
[5] M.A. Aydın, ‘Osmanlılar’, DİA, XXXIII, Ankara 2007, 519; M. Koçak, ‘Islam en nationaal recht in Turkije’, Sharia en nationaal recht in twaalf moslimlanden, Amsterdam 2006, 145-146; S.S. Onar, ‘Osmanlı İmparatorluğunda İslam Hukukunun bir Kısmının Codification’u’, İÜHFM, Cilt XX/1-4, 1954, 58-59.
[6] Zie meer informatie hierover M. Akif Aydın, ‘Batılılaşma’, DİA, V, Ankara 1992, 162-164; A.H. de Groot, ´Het dualisme in het recht van het Ottomaanse rijk´, Recht van de Islam, 12 (1994), 10-19; G. Bozkurt, ‘Review of the Ottoman Legal system’, Journal of The Center of Ottoman Studies 1992/3,120-126
[7] M.A. Aydın, ‘Mecelle-i Ahkâm-ı Adliyye’, DİA, XXVIII, Ankara 2003, 232.
[8] G. Bozkurt, ‘Review of the Ottoman Legal system’, Journal of The Center of Ottoman Studies 1992/3, 126-127; C.V. Findley, ‘Medjelle’, in: C.E. Bosworth e.a. (ed.), The Encyclopedia of Islam, Volume VI, Leiden: E.J. Leiden 1991, 971; C. Mallat, Introduction to Middle Eastern Law, Oxford 2007, 249; H.J. Liebesny, The Law of the Near and Middle East. Readings, Cases and Materials, Albany 1975, 65; S.S. Onar, ‘The Majalla’, in: M. Khadduri & H.J. Liesbesny (ed.), Law in the Middle East, Washington 1955, 294-295.
[9] G. Bozkurt, ‘Review of the Ottoman Legal system’, Journal of The Center of Ottoman Studies 1992/3, 127; M.A. Aydın, ‘Mecelle-i Ahkâm-ı Adliyye’, DİA, XXVIII, Ankara 2003, 231-233; R.H. Davison, Reform in the Ottoman Empire. 1856-1876, New Jersey: Princeton University Press 1963, 253; E. Mardin, Medeni Hukuk Cephesinden Ahmet Cevdet Paşa, Ankara 1996, 65.
[10] J.L. Esposito e.a, The Oxford Dictionary of Islam, Oxford: Oxford University Press 2003, 199; D. Pearl, A textbook on Muslim Law, London 1979, 197; H.J. Liebesny, The Law of the Near and Middle East. Readings, Cases and Materials, Albany 1975, 66; N. Anderson, Law Reform in the Muslim World, London 1976, 17.
[11] M.A. Aydın, Türk Hukuk Tarihi, İstanbul 2014, 427-428; A.H. de Groot, ´Het dualisme in het recht van het Ottomaanse rijk´, Recht van de Islam, 12 (1994), 20-21.
[12] M. A. Aydın, ‘Türkiye’nin Hukuki Modernleşmesi’, Tartışmalı İlmi Toplantılar Dizisi, 2000, 339.
[13] A.H. de Groot, ´Het dualisme in het recht van het Ottomaanse rijk´, Recht van de Islam, 12 (1994), 17-18; M.A. Aydın, ‘Batılılaşma’, DİA, V, Ankara 1992, 166; S.S. Onar, ‘The Majalla’, in: M. Khadduri & H.J. Liesbesny (ed.), Law in the Middle East, Washington 1955, 308; binnen deze commissies waren er ook voorstanders van de afschaffing van het islamitische recht. Zie hierover O. Kaşıkçı, İslam ve Osmanlı Hukukunda Mecelle, İstanbul 1997, 378-380.
[14] Ş. Turan, ‘Lozan Antlaşması’, DİA, XXVII, Ankara 2003, 214-215.
[15] Capitulaties waren privileges die al in de 16e eeuw waren verleend aan Europese handelaren waardoor zij onder andere beschikten over juridische en financiële bevoorrechting. Zie hierover H. İnalcık, “Imtiyazat”, El2, III, 1179-1189.
[16] M.A. Aydın, ‘Batılılaşma’, DİA, V, Ankara 1992, 166-
[17] Ş. Turan, ‘Lozan Antlaşması’, DİA, XXVII, Ankara 2003, 216.
[18] M. Akif Aydın, ‘Batılılaşma’, DİA, V, Ankara 1992, 167; M.A. Aydın, ‘Türkiye’nin Hukuki Modernleşmesi’, Tartışmalı İlmi Toplantılar Dizisi, 2000, 348-349.
[19] M.A. Aydın, ‘Batılılaşma’, DİA, V, Ankara 1992, 166.
[20] J. Schacht, An introduction to Islamic law, Oxford 1982, 92-93; N.J. Coulson, A history of Islamic law, Edinburgh 1964, 152; O. Kaşıkçı, İslam ve Osmanlı Hukukunda Mecelle, İstanbul 1997, 4, 387.