De integratie van wereldgeschiedenis in het curriculum.
Casus: Islamitische geschiedenis en het ontstaan van Nederland
Noot: Aangepast artikel voor KLEIO
(Originele titel: Zonder ons geen Nederland: de rol van moslims tijdens de Nederlandse Opstand)

Burgerschapsvorming, hoe stoffig het ook klinkt, is een van de nobele doelen van goed geschiedenisonderwijs. Geschiedenis helpt leerlingen zich een volwaardig onderdeel te voelen van de Nederlandse samenleving. Daarom koesteren wij docenten de hoop dat ze zich aangetrokken voelen tot ‘het verhaal van Nederland’. Het verhaal van de totstandkoming van onze maatschappij zoals die nu is. We koesteren de hoop dat het verhaal leerlingen inspireert om op hun beurt weer een positieve bijdrage te leveren aan datzelfde Nederland. Maar wat als het curriculum van ons mooie vak niet meer interessant is voor de hedendaagse leerling? Of misschien erger: wat als een grote groep Nederlandse leerlingen het gevoel heeft dat er in het curriculum geen plaats voor ze is, dat ze geen onderdeel zijn van het ‘grote verhaal van Nederland’? Wat als er weinig is waarmee ze zich nog kunnen identificeren? Dient het geschiedenisonderwijs dan nog wel haar doel?

Willem van Oranje-Nassau was opzoek naar bondgenoten, dus zocht hij contact met Jozef Nasi

Hoewel onze bevolkingssamenstelling de afgelopen eeuw sterk is veranderd, is het geschiedenisonderwijs nog redelijk conservatief. De roep van veel docenten om een gevarieerder curriculum botst met de door de overheid opgelegde exameneisen. Ook veel leerlingen zijn klaar met het eurocentrische wereldbeeld dat onderwezen wordt, en dat geldt niet alleen voor leerlingen met een niet-Europese achtergrond. Leerlingen willen meer van de wereld zien. Ze willen andere onderwerpen dan alleen ‘Nederland’. En ook de geschiedenis van Nederland (en van Europa) zien ze graag op een andere manier verteld worden. Het onderwijs is toe aan een nieuw verhaal. De vraag is alleen: welk verhaal is dat? Luisteren naar de behoeftes is vaak een goed begin. Nederlanders met een donkere huidskleur pleiten bijvoorbeeld al jaren voor meer slavernijgeschiedenis en voor een modernere benadering van het onderwerp. Mijn ‘autochtone’ leerlingen – bij gebrek aan een beter woord – vroegen me regelmatig om meer geschiedenis van andere werelddelen zoals China, Afrika en het Midden-Oosten. En leerlingen met een islamitische achtergrond vinden het geschiedenisonderwijs veel te eurocentrisch, want zij zien dat er te weinig oog is voor ‘hun’ rol in de geschiedenis.

Het is de behoefte van die laatste groep waar ik het in dit artikel over wil hebben. Deze leerlingen zijn zich namelijk vaak goed bewust van de rol die hun voorouders (moslims) hebben gespeeld in de geschiedenis van de wereld, wat maakt dat het negeren ervan veel frustraties bij ze opwekt. Gelukkig hebben verschillende lesmethodes al een bescheiden poging gewaagd om hier verandering in te brengen door de middeleeuwen te beginnen met ‘de opkomst van de islam’. Van diepgang is echter geen sprake en ook die ene paragraaf, zo is mijn ervaring, wordt door de gemiddelde moslimleerling sterk bekritiseerd. Veel docenten die met goede wil aan het onderwerp beginnen komen daardoor soms in ongewenste discussies terecht.

Als oplossing stel ik voor meer wereldgeschiedenis in het huidige curriculum te integreren. Een zijstap naar ‘het ontstaan van de islam’ is weliswaar een stap in de goede richting, maar mijns inziens nog niet voldoende. Ons verhaal gaat nou eenmaal over Nederland. Daarom zou het grotere verhaal van Nederland in breder perspectief moeten worden geplaatst, én zouden we nieuwe perspectieven moeten integreren in datzelfde verhaal. Maar hoe? In dit artikel doe ik een bescheiden poging. Een poging die wellicht als inspiratiebron zou kunnen dienen voor collega’s die in de klas meer aan wereldgeschiedenis willen doen, of die wellicht ooit invloed zullen uitoefenen op de (her)vorming van het landelijke curriculum. Tot die hervormingen plaatsvinden raad ik collega’s aan vooral zelf veel onderzoek te doen naar verschillende soorten geschiedenis, en vervolgens met die kennis te experimenteren in de klas. Het is de truc om zoveel mogelijk van die nieuwe inzichten te integreren in het bestaande curriculum, met hier en daar misschien zelfs wat verdiepende uitstapjes. En dat is goed mogelijk, zelfs wanneer het islamitische geschiedenis betreft. Want hoe vreemd het ook voor sommigen zal klinken, de geschiedenis van Nederland en moslims is dieper verweven dan we vaak denken. Kijk maar eens naar het volgende perspectief op de ontstaansgeschiedenis van Nederland…

De edelman en de bankier

In het jaar 1569 schreef een Duitse edelman een brief aan een oude bekende. Een vriend uit zijn tijd in Antwerpen. Don João Migas Mendes mocht dan wel gevlucht zijn voor de Portugese inquisitie, hij bevond zich overduidelijk in een luxere positie dan de Duitse edelman. De invloedrijke bankier kwam uit een vooraanstaand joods geslacht. Zijn thuisland wilde hem niet meer, maar de wereld ontving hem met open armen. Hij dineerde met de machtigste staatsmannen van zijn tijd, adviseerde hen over hun buitenlands beleid en kreeg op den duur zelfs een aantal eilanden toegewezen die hij als een soort graaf mocht besturen.
Minder luxueus was de positie van de Duitse edelman. In tegenstelling tot zijn vriend, die de geschiedenis in zou gaan onder zijn joodse naam Josef Nasi, was híj niet bereid de Lage Landen te verlaten, ondanks de oplopende spanningen. Hij bleef er actief onder de plaatselijke elite, maar veel succes had hij niet. Er was een opstand uitgebroken tegen de Habsburgse koning en na het plotse overlijden van de charismatische rebellenleider Hendrik van Brederode, een jaar eerder, was het leiderschap min of meer bij hem beland. Maar nu, in 1569, na zijn eerste veldslag tegen de ‘ijzeren hertog’ te hebben verloren, schreef hij zijn vriend om hulp, nog niet wetende wat de uitkomst van dit alles zou zijn. Josef Nasi zou hem niet in de steek laten. Maar zijn hulp zou geen plaats krijgen in het grote verhaal van Nederland. De Duitse edelman kreeg wél een plaats in de schoolboeken: de graaf van Dillenburg, Willem van Oranje Nassau.

Turcksche hulp: meer dan slechts een historische kanttekening

Na jaren in de bankierswereld te hebben doorgebracht kreeg Josef Nasi de kans carrière te maken in Constantinopel. Ten tijde van sultan Sulayman de Grote, en later onder diens zoon Selim II, werd Nasi met enige regelmaat gevraagd om advies betreffende zaken in West-Europa. In de geheime brief van 1569 vroeg Willem van Oranje Nasi om bemiddeling bij de sultan. Die bemiddeling kwam er en het voorstel om Spanje aan te vallen werd positief ontvangen. De Ottomaanse vloot, die zich op dat moment voorbereidde op de verovering van Cyprus, werd nu gereedgemaakt om de macht van de Spanjaarden op de Middellandse-Zee verder in te perken. In een brief aan de ‘de Lutherse heren in de Spaanse en Vlaamse gebieden’ schreven de Ottomanen dat geadresseerden konden rekenen op militaire en maritieme steun in hun strijd tegen de ‘ongelovige’ katholieken. In diezelfde periode ging een andere brief uit naar de moslims in Spanje (de Moriscos). Daarin kregen ze de opdracht om in het geheim contact te leggen met de protestanten. De Spaanse moslims, die de Ottomaanse kalief erkenden als ‘superieur leider van alle moslims’, beloofden dat wanneer de protestanten de confrontatie met de katholieken zouden aangaan, ook zij zouden aanvallen.

Sultan Selim II

Onder het bewind van Selim II ging de diplomatieke strijd in Europa door. Zoals eerder aangegeven beloofden de Ottomanen directe ‘financiële en militaire steun’ aan de Nederlanden. Wegens een samenkomst van factoren bleef de (noodzaak voor) militaire steun op ‘Nederlands grondgebied’ echter uit. De Habsburgers richtten zich nu namelijk met man en macht op de strijd tegen de islamitische aartsvijand van de Paus, wat de Nederlandse opstandelingen weer de ruimte gaf om orde op zaken te stellen. Enkele interne gebeurtenissen zoals het overlijden van de sultan, een korte machtsstrijd om de troon en buitenlandse worstelingen met de Perzen en de Oostenrijkse-Habsburgers, zorgden voor wat tegenslagen aan Ottomaanse zijde. Eventjes zag het er naar uit dat het tij was gekeerd en de Spanjaarden dan eindelijk ‘den Turck’ in het nauw hadden gedreven. Voor de katholieke leiders, wiens ‘houding er één was van twijfels en gevoelens van minderwaardigheid’ , was het nu of nooit. Op Spaans initiatief werd de veertiende kruistocht tegen de Ottomanen (de eerste begon in 1359) in het leven geroepen. De admiraals van het Spaanse Rijk, Venetië, Genua, de Pauselijke Staat en de Kruisridders van Malta brachten een enorme vloot op de been. Samen deden ze het onmogelijke: ze versloegen de – normaal gesproken oppermachtige – Ottomaanse vloot tijdens de Slag bij Lepanto in 1571.

Toch was dit moeilijk een overwinning te noemen en de gevolgen ervan kwamen de Nederlandse opstandelingen erg goed uit. Door alle inspanningen was de bodem van de Spaanse schatkist in zicht. Ook kwamen in diezelfde periode de eerder genoemde Moriscos in actie (1569-71). Het neerslaan van hun opstand in het voormalige Andalusië kostte Filips II veel geld en moeite. En ook daar bleef het niet bij! In diezelfde periode liet de sultan de ‘bey’ van Algerije in actie komen met overzeese uitvallen richting de Spaanse kust. Toen Istanbul tot slot – naar ieders stomste verbazing – het onwerkelijke voor elkaar kreeg door na de verloren zeeslag een geheel nieuwe (en sterkere) vloot de zee in te laten drong de realiteit tot de geallieerden door. De Habsburgs-Oostenrijkse historicus Joseph von Hammer-Purgstall verwoordde de situatie passend toen hij schreef: ‘Het is alsof (niet wij, maar) de Ottomanen de winnaars waren van de Slag bij Lepanto.’
In de zomer van 1574 heroverden vizier Koca Sinan Paşa, en de Ottomaanse vloot onder leiding van kapitein Kılıç Ali Paşa, de stad Tunis en het kasteel van Halvuka, dat sinds 1535 gold als een strategische uitvalsbasis voor de Spanjaarden op de Middellandse-Zee. De waardering die de Nederlandse opstandelingen voor deze reeks gebeurtenissen hadden bleek onder andere uit de vele geuzenliederen die ze zongen. Zo ook was de vreugde over het nieuws dat de moslim in Tunis streden tegen de Spanjaarden, waardoor deze zich niet met volle kracht konden richten op de Republiek:

“Den Turck die coemt al met ghewelt,
Met dry hondert duysent man is hy te velt, Te voet end oock te Peerden,
Hy heeft gewonnen, tzy u vertelt,
Twee steden van grooter weerden.

Lagoulette ende Thoenis sijn die Steden genaemt
Daer binnen was so menigen Italiaen, Bisschoppen, Cardinalen, Spaensche gesellen,
Die zijn daer gebleven, wilt dit verstaen,
Die en sullen ons hier niet meer quellen.”

Maar van een officiële overwinning zou nog lang geen sprake zijn. Het zou nog tientallen jaren duren voordat de Republiek bij de Vrede van Westfalen (1648) dan eindelijk erkend zou worden als zelfstandige staat. Wat ons geschiedenisonderwijs niet vermeldt is dat, in tegenstelling tot andere Europese machten, de Ottomaanse moslims de Republiek al dertig jaar eerder(!), als eerste mogendheid ter wereld, erkenden als zelfstandige staat. Als een staat die recht had op godsdienstvrijheid, een islamitische waarde waar edelmannen als Willem van Oranje in hun brieven en smeekschriften maar al te graag naar verwezen. Moslims hebben daarmee zowel bijgedragen aan de vorming van onze cultuur, alsmede aan het ontstaan van onze traditionele grenzen en het uitgroeien van de Republiek tot een van de machtigste naties ter wereld…

Met dit verhaal heb ik een poging gedaan een onderbelicht perspectief op de ontstaansgeschiedenis van Nederland te belichten. Ik heb gepoogd een indruk te geven van hoe de integratie van nieuwe inzichten ervoor kan zorgen dat ook andere groepen Nederlanders (in dit geval moslims) zich kunnen identificeren met hun geschiedenis. En dit is nog maar het begin. Er is namelijk nog een hoop te vertellen over de rol van moslims in de Nederlandse geschiedenis. Een nieuwe, inclusieve vorm van geschiedenisonderwijs zal niet slechts de interesse van moslimleerlingen trekken, maar ook – zo leert de ervaring – die van hun medeleerlingen. Het zou aan beide kanten kunnen zorgen voor een ‘inclusiever’ beeld van wat de Nederlandse samenleving nu is: een samenleving waar ook moslimleerlingen een onlosmakelijk en diep genesteld onderdeel van zijn geworden. Ze zullen zien dat het verhaal van Nederland ook hún verhaal is, een verhaal waar moslims een bijdrage aan hebben geleverd, en ook vandaag de dag nog een actieve bijdrage aan leveren.
En laat dát nou precies een van de hoofddoelen zijn van ons geschiedenisonderwijs…
Het doel dat de samenstellers van het geschiedeniscurriculum ooit mooi hebben omschreven… Het voor velen ‘stoffige’ begrip: burgerschapsvorming.

Noot: Aangepast artikel voor KLEIO
(Originele titel: Zonder ons geen Nederland: de rol van moslims tijdens de Nederlandse Opstand)
© 2016, Kasım Tekin – Hadaarah
Uitgegeven in eigen beheer
Alle rechten voorbehouden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *